39
N L
H A N D L E I D I N G
•
B A T AV U S C 3
(55/75/90 %) overeenkomstig uw maximale
polswaarde.
c) Polsbovengrens
U kunt echter ook een vaste polsbovenwaarde
invoeren (THR). Bij b en c stuurt de monitor
overeenkomstig uw huidige polswaarde de
weerstand zodanig, dat u het geselecteerde
percentage bereikt, of de vooraf ingestelde
polswaarde aangehouden wordt. Indien uw polsslag
dus te laag is, wordt de weerstand (Level) zolang
verhoogd, totdat de waarde klopt en omgekeerd.
6. MANUEEL PROGRAMMA
Dit programma is voorzien voor de training met
gelijkblijvende weerstand (Level 1-16).
7. WATT
De geleverde inspanning wordt voortdurend
weergegeven in Watt op het beeldscherm (10-350
Watt). De invoer gebeurt met tussenstappen van
10 Watt. In het programma “Manual” kunnen
de Watt-waarden vooraf ingesteld worden. De
monitor stuurt dan automatisch afhankelijk van
het toerental van de crankarm de weerstand voor
gelijkblijvende prestatie.
8. PROFIELPROGRAMMA
Y12 verschillende programmaprofielen die op
het beeldscherm weergegeven worden, kunnen
geselecteerd worden.
9. TRAININGSINTENSITEIT
In het “manuele programma” en in de 12
profielprogramma’s kan de intensiteit (Level)
gewijzigd worden met de toetsen “+/-“ vóór en
tijdens de training.
10. USER-PROGRAMMA
Voor 4 gebruikers kunnen de persoonlijke gegevens
ingevoerd worden.
11. WEERGAVENWISSELING (SCAN)
Snelheid en toerental evenals calorieën en Watt
worden afwisselend (om de 6 seconden) onderaan
op het scherm weergegeven.
12. PAUZE (STOP)
Door op de toets “Start/Stop” te drukken wordt
de training gedurende maximaal 4 minuten
onderbroken. Door opnieuw te drukken is het
mogelijk de onderbroken training voort te zetten
met de vorige gegevens.
BEMERKINGEN BIJ DE
WEERSTANDVERSTELLING (LEVEL)
1. TRAINING MANUEEL PROGRAMMA
Bij de training zonder voorafgaande “Watt”-
instelling wordt de weerstand (Level) ingevoerd
met de toetsen “+/-“ en blijft tijdens de training
gelijk.
Wordt de Watt-waarde vooraf ingesteld, dan
regelt de monitor de weerstand automatisch.
Overeenkomstig het toerental van de crankarm
wordt de weerstand (level 1-16) aangepast.
Voorbeeld: Is het toerental van de crank te
laag, dan wordt de weerstand verhoogd. Om te
voorkomen dat de weerstand te groot wordt, en
opdat uw trapsnelheid (toerental) aangepast is,
verschijnen er verschillende symbolen op het
beeldscherm. Deze symbolen helpen u om het
juiste toerental te vinden.
5 = Toerental te hoog – langzamer trappen
6 = Toerental te laag – sneller trappen
- - - = Berekening kan niet uitgevoerd worden.
Controleer de Watt-instelling en uw trapsnelheid.
Na 3 minuten weerklinkt bij deze waarden een
geluidssignaal om eraan te herinneren dat er
geen berekening gemaakt kan worden. De Watt-
weergave vertoont een nul. De monitor schakelt
uit. Het alarm wordt uitgeschakeld door op een
toets te drukken.
2. TRAINING USER-PROGRAMMA
De user-programma’s bestaan uit
profielprogramma’s die zelf opgebouwd moeten
worden. De basis van de profielen kunt u met
de toetsen “+/-“tijdens de training verhogen of
achteraf ook verlagen.
3. TRAINING PROFIELPROGRAMMA
De weerstand (Level) van de programmabalken
wordt automatisch geregeld. De basis van de
profielen kunt u met de toetsen “+/-“ tijdens de
training verhogen of achteraf ook verlagen.
De hoogst mogelijke verstelling van de basis is
gebeurd, wanneer de hoogste profielbalk het
hoogste niveau 16 bereikt heeft.
4. TARGET HEART RATE CONTROL TRAINING
(percentage en polsinstelling(bovengrens)
De weerstand wordt overeenkomstig uw
voorafgaande instelling automatisch aangepast.