49
B) luchtaansluiting (schroefdraad 1/4" gas vrouwelijk)
C) Netschakelaar
E) Instelknop druk
F) Manometer
G) Led thermische beveiliging
H) Massakabelaansluiting
I) Vochtafscheider
L) Led onvoldoende luchtdruk.
M) Regelknopvan de snijstroom
P) Centraalaansluiting voor snijtoorts.
R) Veiligheidsbescherming.
S) Led blokkering; gaat branden in omstandigheden
waardoor de machine niet goed kan functioneren.
T) Drukknop voor in- en uitschakeling van de functie
"SELF-RESTART PILOT"
U) Led die gaat branden als de functie "SELF-
RESTART PILOT" actief is
V) Controlelampje netvoeding.
W) Aardeklem voor rechte toortsen.
2.3 VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN
Deze installatie is voorzien van de volgende beveiligingen:
Thermische beveiliging:
1) Deze beveiliging voorkomt overbelasting. De overbe-
lasting wordt aangegeven doordat de led G (zie fig.1)
continu gaat branden.
Luchtdruk beveiliging:
Deze veiligheid is op de snijtoortsvoeding aangebracht,
en voorkomt dat het apparaat functioneert bij een te
lage luchtdruk. De beveiliging wordt aangegeven doordat
de led L (zie fig.1) gaat branden.
Als led L knipperend gaat branden, wil dat zeggen dat de
druk tijdelijk onder 3,2 ÷ 3,5 bar gedaald is.
Openspanning beveiliging:
Deze zit op de snijtoortskop, en vermijdt dat er gevaarlijke
spanningen op de snijtoorts zijn bij het vervangen van het
mondstuk, de diffusor, de elektrode of de mondstukhouder;
• Verwijderde beveiligingen niet.
• Gebruik uitsluitend originele vervangingsonderdelen.
• Vervang eventuele beschadigde onderdelen van het
apparaat of van de snijtoorts altijd door originele mate-
rialen.
• Laat het apparaat niet zonder omkasting werken. Dit
zou gevaarlijk zijn voor de bediener en de personen die
zich in het werkgebied bevinden, en zou voldoende koe-
ling van het apparaat verhinderen.
2.4 UITLEG VAN DE TECHNISCHE GEGEVENS
Het apparaat is gebouwd in overeenstemming met de
volgende normen: IEC 60974.1 - IEC 60974.3 - IEC
60974.7 - IEC 60974.10 Cl. A - IEC 61000-3-11 - IEC
61000-3-12 (zie opmerking 2).
N°. Serienummer.
Moet worden vermeld op elk verzoek met
betrekking tot het apparaat.
Driefasige statische transformator-gelijkrichter.
Neerwaartse curve.
Geschikt voor plasmasnijden.
TORCH TYPE Type van toorts dat kan worden gebruikt met
dit apparaat om een veilig systeem te vormen.
U
0
. Secundaire openboogspanning.
X. Inschakelduurpercentage.
De inschakelduur drukt het percentage van
10 minuten uit gedurende dewelke het
lasappa raat met een bepaalde stroom I
2
en
spanning U
2
kan worden gebruikt zonder te
oververhitten.
I
2
. Snijstroom.
Art. 359: 60A @ 208/220/230/400/440V
Art. 361: a) 100A @ 400/440V
b) 80A @ 208/220/230V
U
2
Secundaire traploos regelbare spanning met
lasstroom I
2
Deze spanning hangt af van de
afstand tussen de contacttip en het werkstuk.
Als deze afstand toeneemt, stijgt de snij
spanning eveneens en kan de inschakel
duur X% verminderen.
U
1
. Nominale voedingsspanning voor
208/220/230V - 400/440V met automatische
spanningswijziging.
3~ 50/60Hz Driefasige voeding van 50 of 60 Hz
I
1
Max Max. opgenomen stroom bij overeenkomstige
stroom I
2
en spanning U
2
.
I
1
eff Dit is de maximale waarde van de eigenlijke
opgenomen stroom, rekening houdend met de
inschakelduur.
Deze waarde komt gewoonlijk overeen met de
capaciteit van de zekering (trage type) die moet
worden gebruikt als beveiliging van het appa-
raat.
IP23 S. Beschermingsklasse van de behuizing.
De Graad 3 als tweede cijfer geeft aan dat
het apparaat opgeslagen kan worden, maar
dat het bij neerslag niet buiten gebruikt kan
worden, tenzij in een beschermde omgeving.
. Geschikt voor werkzaamheden in omgevingen
met verhoogd risico.
OPMERKINGEN:
1-Het apparaat is ontworpen om te functioneren in een
omgeving met een vervuilingsgraad 3 (Zie IEC 60664).
2-Deze apparatuur voldoet aan de norm IEC 61000-3-12,
mits de maximum toelaatbare impedantie Zmax van de
installatie lager of gelijk is aan 0,146 (Art. 359)-0,088 (Art.
361) op het interfacepunt tussen de installatie van de
gebruiker en het lichtnet. De installateur of de gebruiker
van de apparatuur zijn verantwoordelijk voor en moeten
waarborgen dat de apparatuur aangesloten is op een
stroomvoorziening met een maximum toelaatbare imped-
antie Zmax lager of gelijk aan 0,146 (Art. 359)-0,088 (Art.
361). Raadpleeg eventueel het elektriciteitsbedrijf.
2.5 INBEDRIJFSSTELLING
Het apparaat moet worden geïnstalleerd door gekwalifi-
ceerd personeel. Alle verbindingen moeten tot stand
worden gebracht overeenkomstig de geldende normen
en met volledige inachtneming van de wet op de onge-
vallenpreventie (zie CEI 26-26 / IEC - TS 62081).
Sluit de luchttoevoer aan op verbinding B.
In het geval de luchttoevoer afkomstig is van een drukrege-
laarvan een compressor of een centrale installatie, moet de
drukregelaar worden ingesteld op een uitgangsdruk van niet
S