Model: BETA 1498CB/120, voor batterijen van 4Ah tot 190Ah
De controle en de uitvoering van de laadcyclus wordt beheerd door een microprocessor. De batterijladers van de serie
BETA hebben afzonderlijke laadcycli naargelang het type van batterij dat opgeladen moet worden (Dry Gel of Wet Agm).
Elke laadcyclus vindt plaats in zes fasen, twee diagnosefasen en vier laadfasen (in overeenkomst met de norm DIN 41772)
(Fig. 5).
eerste diagnosefase van de status •
van de batterij “A1”.
De batterijlader analyseert de lading van de op te laden batterij; als de batterij
bijzonder zwak blijkt, zal de batterijlader beginnen opladen aan een lage
laadspanning tot de batterij de optimale spanning bereikt heeft om de eerste
laadfase te starten.
eerste laadfase “I”• Laadt op aan gelijkstroom tot het bereiken van de maximale
batterijspanning.
tweede laadfase “U0”• Laadt op aan gestabiliseerde spanning tot de stroom minimale waarden
bereikt heeft.
tweede diagnosefase van de status •
van de batterij “A2”.
De batterijlader analyseert de efciënte status van de geladen batterij.
derde laadfase “Boost”•
(Alleen voor batterijladers ingesteld op
-WET AGM) grondige laadfase
aan constante stroom en toenemende spanning, om de laadcapaciteit van
de batterij te vergroten.
vierde laadfase “U”• Instandhoudingsfase aan constante laagspanning, met batterijlader ingesteld
voor batterijen DRY GEL.
vierde laadfase “Up”• Instandhoudingsfase met impulsen, voor batterijladers ingesteld voor
batterijen WET AGM.
WAARSCHUWINGEN
De batterijlader is bestemd voor het laden van zuurloodbatterijen. Gebruik hem niet voor andere doeleinden. Laad geen •
batterijen op die niet van het heroplaadbare type zijn. Laad geen bevroren batterijen op.
Draag altijd een veiligheidsbril en kom met het gezicht niet te dicht bij de batterij tijdens het aansluiten en loskoppelen.•
Tijdens het opladen van de batterij kan explosief gas vrijkomen. Vermijd dus dat vonken of vlammen ontstaan en rook •
niet.
Laad op in een goed verluchte en droge omgeving: niet blootstellen aan regen of sneeuw.•
Zorg ervoor dat de batterijlader losgekoppeld is van het net vooraleer de laadkabels aan te sluiten op of los te koppelen •
van de batterij.
Tijdens het laden mag de batterijlader niet op de batterij geplaatst worden.•
De vloeistof in de batterijen is bijtend. Bij een accidenteel contact van het zuur met de huid of de ogen, onmiddellijk •
spoelen met water en een arts raadplegen.
Een oneigenlijk gebruik van de batterijlader, of het knoeien aan het intern elektronisch circuit van het apparaat, zal de •
garantie doen vervallen.
In geval van beschadiging, moet het voedingssnoer van het apparaat vervangen worden door geautoriseerde technici, •
omdat hier speciaal gereedschap voor nodig is.
Reparaties of onderhoudswerkzaamheden aan het apparaat worden alleen door gekwaliceerd personeel uitgevoerd.•
Gebruik de batterijlader alleen na de handleiding aandachtig gelezen te hebben.•
LADEN
Opladen van batterijen aangesloten op het voertuig
1. Controleer eerst of het voedingssnoer losgekoppeld is van het stopcontact.
2. Zoek de pool die overeenkomt met de massa van het voertuig; meestal is die aangesloten op de negatieve klem.
3. Opladen van een batterij met de negatieve klem aangesloten op de massa van het voertuig.
Sluit de uitgangsgeleider met de rode tang aan op de positieve (+) batterijklem.•
Sluit de uitgangsgeleider met de zwarte tang aan op de massa van het voertuig, ver van de batterij en het •
brandstofkanaal.
4. Opladen van een batterij met de positieve klem aangesloten op de massa van het voertuig.
Sluit de uitgangsgeleider met de zwarte tang aan op de negatieve (-) batterijklem.•
Sluit de uitgangsgeleider met de rode tang aan op de massa van het voertuig, ver van de batterij en het •
brandstofkanaal.