90
NEDERLANDS
ONDERHOUD
Uw gereedschap op stroom is ontworpen om gedurende
een lange tijdsperiode te functioneren met een minimum
Stalling (Afb. C, D)
GEVAAR: Het roterende maaiblad kan ernstige
verwondingen veroorzaken. Schakel de maaimachine
uit door de beugelhandgreep los te laten, neem de
veiligheidssleutel uit, neem de accu's uit de machine en til
dan pas de machine op voor het transport of stalling. Stal
de machine op een drogeplaats.
VOORZICHTIG: Knelpunt. Voorkom dat u uw vingers
klemt, houd uw vingers weg bij de handgrepen wanneer
u dezeinvouwt.
U kunt de handgreep van de maaimachine gemakkelijk
invouwen en de machine snel en handigopbergen.
1. Draai de knoppen voor de vergrendeling van de
handgreep
7
op de onderste handgreep, een kwartslag.
2. Draai de handgreep naar de voorzijde van de maaimachine.
Ga voorzichtig te werk zodat u niet het snoer vastklemt
ofuitrekt.
3. Draai de knoppen voor de vergrendeling van de
handgreep
7
een kwart slag om de handgreep in de
stalling in de vergrendelde
stand in testellen.
4. De maaimachine kan rechtop worden opgeslagen, waarbij
de grasopvangbak is verwijderd, of vlak op die wielen van
de machine wordenopgeslagen.
Overbelasting van de maaimachine
Voorkom beschadiging door overbelasting, maai niet te
veel gras tegelijkertijd. Ga langzamer maaien of verhoog
demaaihoogte.
achteren trekt. Duw de maaimachine een beetje naar voren en
verplaats de machine weer zoals uwilt.
OPMERKING: Tijdens het maaien is het mogelijk eenvoudiger
om rond objecten, zoals een boom of planten, te maaien als
de functie voor zelf rijden is uitgeschakeld. De maaier kan
gemakkelijk worden gebruikt terwijl de functie voor zelf rijden
isuitgeschakeld.
Keuzewiel voor variabele snelheid (Fig.L)
Uw maaier is voorzien van een keuzewiel voor variabele
snelheid
36
hetgeen aan de onderkant van de behuizing
van het besturingsmechanisme voor het zelf rijden
28
is
aangebracht. Het systeem past zelf aan hoe snel of langzaam
het systeem voor zelf rijden de maaier moetvoortbewegen.
1. Om de snelheid van het systeem voor zelf rijden te
verhogen, dient het keuzewiel voor de variabele
snelheid
36
in de richting van de pijl gedraaid te worden.
De pijl wordt direct naast het keuzwiel voor de variabele
snelheid
36
weergegeven.
2. Om de snelheid van het systeem voor zelf rijden te verlagen,
dient het keuzewiel voor de variabele snelheid
36
in de
tegengestelde richting van de pijl gedraaid te worden.
De pijl wordt direct naast het keuzwiel voor de variabele
snelheid
36
weergegeven.
Systeem voor zelf rijden op variabele
snelheid (Afb. L)
GEVAAR: Scherp bewegend blad. Probeer nooit de
werking van het systeem met de schakelkast, het systeem
voor zelf rijden of de veiligheidssleutel uit te schakelen
omdat dit tot ernstig letsel kanleiden.
De maaimachine is voorzien van een systeem voor zelf rijden op
variabele snelheid. Dit
systeem werkt onafhankelijk van de AAN/UIT‑schakelaar van
het maaiblad. Het kan alleen worden gebruikt als het maaiblad
draait.
1. Volg de instructies zoals beschreven inDe maaimachine
starten.
2. Om het zelf rijden te activeren, dient de
beugelhandgreep
5
tegen de hoofdhandgreep
4
gehouden te worden, met éénhand.
3. Trek met uw andere hand aan de snelheidshendel voor het
zelf rijden
6
in de richting van dehoofdhandgreep.
4. U kunt de snelheidshendel
6
vasthouden, of
tegelijkertijd zowel de beugelhandgreep
5
als de
sneheidshendelvasthouden.
5. Om het zelf rijden uit te schakelen, laat u de
snelheidshendel
6
los.
OPMERKING: Wanneer u het zelf rijden uitschakelt,
bijvoorbeeld aan het einde van een baan, kunnen de wielen
tijdelijk vergrendeld worden wanneer u de maaimachine naar
3. Sluit de kap van de accupoort. Start de maaimachine
pas wanneer u hebt gecontroleerd dat de kap volledig
isgesloten.
4. Steek de veiligheidssleutel
3
in de Aan/Uit‑schakelkast
1
tot de sleutel volledig in de behuizing zit. De maaimachine
is klaar voorgebruik.
5. De maaimachine is voorzien van een speciale Aan/
Uit‑schakelkast
1
. Duw, wanneer u de maaimachine
wilt gebruiken, op de knop Aan/Uit
2
op de ON/
OFF‑schakelkast
1
en houd de knop ingedrukt,
trek vervolgens de beugelhandgreep
5
naar
dehoofdhandgreep.
OPMERKING: Wanneer de maaimachine loopt, kunt
u de Aan/Uit‑knop loslaten, maar u moet wel de
beugelhandgreep tegen dehoofdhandgreep houden
anders slaat de machine weeraf.
6. U kunt de maaimachine uitschakelen door de
beugelhandgreep
5
los telaten.
WAARSCHUWING: Probeer nooit een schakelaar of de
beugelhandgreep in de ON-stand tevergrendelen.
OPMERKING: Wanneer de beugelhandgreep in de
oorspronkelijke positie is teruggekeerd, wordt het "Automatisch
Remsysteem" ingeschakeld. De motor wordt geremd en het
maaiblad van de grasmaaier komt in drie seconden of minder
tot stilstand. Als het blad van de maaimachine langer dan drie
seconden blijft draaien, gebruik de machine dan niet meer en
laat de machinenakijken.