Gebruiksaanwijzing knoppen
1.
2.
AAN/UIT: Druk op de knop AAN/UIT. Het apparaat werkt in de cyclus: "AAN-UIT-AAN".
Vochtigheid omhoog/omlaag: Druk eenmaal op de knop “Vochtigheid omhoog” of
“Vochtigheid omlaag” om het vochtigheidsgehalte met 1% te laten stijgen of dalen.
Houd de knop gedurende 1,5 seconde ingedrukt om de percentagewaarde met 5% per
seconde te doen stijgen of dalen.
Geheugenknop:
Druk op de geheugenknop (het geheugenlampje zal gaan branden) om
de geheugenfunctie te activeren voor wanneer het apparaat wordt uitgeschakeld. Druk
nogmaals of de geheugenknop en het lampje zal uitgaan en de geheugenfunctie zal
1.
2.
Steek de netstekker in het stopcontact. Het apparaat zal een kort geluid maken.
Druk op de knop “ON/OFF". Het bedrijfslampje zal aangaan en de en de display van
de vochtigheidsgraad zal de eerder ingestelde vochtigheidsgraad laten zien. De
begininstelling van de vochtigheidsgraad is 60%. Na 3 seconden zal de display van de
vochtigheidsgraad de werkelijke vochtigheidsgraad laten zien.
Gebruik de pijltjes omlaag en omhoog om de gewenste vochtigheidsgraad in te stellen.
Indien de ingestelde vochtigheidsgraad 3% lager is dan de werkelijke
vochtigheidsgraad, dan werkt het apparaat en indien de ingestelde vochtigheidsgraad
3% hoger is dan de werkelijke vochtigheidsgraad, dan stopt het apparaat met werken.
Indien de ingestelde vochtigheidsgraad lager is dan 30% werk het apparaat
onafgebroken en staat er “CO” op de display.
3.
Het apparaat uitschakelen
Druk op de knop “ON/OFF" tijdens de werking van het apparaat. Het apparaat zal
worden uitgeschakeld en alle lampjes en de display zullen uitgaan.
Indien de ingestelde vochtigheidsgraad hoger is dan de werkelijke vochtigheidsgraad,
dan zal het apparaat niet werken.
Indien de watertank vol is, gaat het lampje "volle tank” aan. Ondertussen schakelen de
compressor en ventilatormotor automatisch uit en de luchtontvochtiger zal om de 5
minuten een geluid maken totdat de watertank wordt geleegd. Nadat de watertank is
geleegd, zal het apparaat weer gaan werken.
Gedurende het ontvochtigingsproces moeten de ventilatormotor en de compressor
minstens 3 minuten werken na het starten. De luchtontvochtiger mag niet eerder dan
na drie minuten na het uitschakelen weer wordt aangezet.
Bij lage temperaturen zal de luchtontvochtiger automatisch naar de ontdooistand
omschakelen. In de ontdooistand gaat het ontdooilampje aan en de ventilatormotor uit.
De compressor blijft werken.
2.
PL_DH_751.indd 5 2007-04-05 14:43:19
5