Voorzorgsmaatregelen bij het opladen
Sluit de oplader altijd eerst aan op de accu en vervolgens op
het lichtnet.
Trek na het opladen altijd eerst de stekker uit het stopcon-
tact en vervolgens de aansluitpen uit de accu.
Laad de accu altijd volledig op.
Gebruik altijd originele opladers.
Laat de accu niet langer dan 16 uur opladen.
Laad altijd op in een goed geventileerde ruimte.
Laad de accu niet op in een te warme omgeving.
Laad de accu niet op in de buurt van brandbare vloeistoffen.
Dek de accu op geen enkele manier af tijdens het opladen.
Trek onmiddellijk de stekker uit het stopcontact en ventileer
de ruimte als de accu een vreemde geur afgeeft. Raak de
accu in dat geval niet aan.
Bewaar de accu op een koele, droge plaats wanneer deze
niet wordt gebruikt.
Tijdens het opladen brandt het rode lampje op de accuoplader. Zodra het opladen
is voltooid, gaat het rode lampje uit en gaat het groene lampje branden.
5.2 Achterlicht
Het achterlicht wordt met de knop ON ingeschakeld. Er zijn 5 verlichtingsmodi; de volgende
verlichtingsmodus wordt geselecteerd door nogmaals op de knop ON te drukken.
Druk langer dan 2 seconden op de knop ON om het achterlicht uit te schakelen.
Het achterlicht wordt gevoed door twee AA-batterijen. Let goed op dat u de batterijen in de
juiste richting plaatst.
5.3 Bedieningsorganen
Controleer of de accu intact is en is opgeladen. Bij gebruik in een zeer koude omgeving werkt
de accu minder efficiënt. Controleer de spanning en de smering van de ketting. Controleer of
de pedalen goed zijn bevestigd; er is een linker- en rechterpedaal, aangegeven met het
symbool R (rechts) of L (links) op de as van het pedaal. Controleer ook of de pedalen goed op
de trapas zijn bevestigd.
GEVAAR
142