75
NEDERLANDS
NL
4.3.1 Algemene veiligheidscontrole
4.3.2 Elektrische veiligheidscontrole
Controleer voor elk gebruik of het be-
veiligingssysteem werkt.
4.4 Starten
1. Open de benzinekraan. Zie 10.
2. Controleer of the bougiekabel(s) op de bou-
gie(s) is/zijn geplaatst.
3. Controleer of de krachtafnemer uitgeschakeld
is.
4. Houd uw voet niet op het aandrijfpedaal.
5. Zet de gashendel op vol gas.
Starten van een koude motor - trek de choke-
hendel volledig uit.
Starten van een warme motor – druk de choke-
hendel volledig in.
6. Trap het koppelings-/rempedaal volledig in.
7. Draai de contactsleutel om en start de motor.
8 Wanneer de motor is gestart, duwt u de choke-
hendel geleidelijk in als u deze gebruikt hebt.
9. Laat de machine na een koude start niet onmid-
dellijk belast werken, maar laat de motor eerst
een paar minuten warmdraaien. Op die manier
kan de olie eerst opwarmen.
Bij gebruik van de machine altijd vol gas geven.
4.5 Stuurbekrachtiging
De stuurbekrachtiging zorgt ervoor dat het vermo-
gen van het hydraulisch systeem de bewegingen
van het stuur ondersteunt. Dit maakt het makkelij-
ker de machine te besturen als de motor op volle
kracht werkt (vol gas).
Als het toerental van de motor lager wordt, ver-
mindert het effect van de stuurbekrachtiging.
4.6 Bedieningstips
Controleer altijd of de juiste hoeveelheid olie in de
motor zit. Dit is met name belangrijk bij het wer-
ken op hellingen. Zie 4.2.
Wees voorzichtig bij het rijden op hel-
lingen. Start of stop niet plotseling wan-
neer u een helling op- of afrijdt. Rijd
nooit dwars over een helling. Rijd van
boven naar beneden en van beneden
naar boven.
Deze machine mag op een helling van
maximaal 10° rijden.
Verminder de snelheid op hellingen en
bij scherpe bochten om controle over de
machine te houden en het risico op kan-
telen te beperken.
Draai bij rijden in de hoogste versnel-
ling en bij vol gas het stuur niet volledig
naar één kant. De machine kan dan
kantelen.
Blijf met uw handen uit de buurt van de
middensturing en de zittinghouder. An-
ders kunt u bekneld raken! Rijd nooit
met de machine als de motorkap open
is.
Onderdeel Resultaat
Brandstofslangen
en aansluitingen.
Geen lekkages.
Elektrische kabels. Isolatie is intact.
Geen mechanische schade.
Uitlaatsysteem. Geen lekkages bij aansluitin-
gen.
Alle schroeven zijn vastge-
draaid.
Olieleidingen Geen lekkages. Geen schade.
Rijd de machine
voor- en achteruit
en laat het pedaal
van de bedrijfsrem
omhoog komen.
De machine stopt dan.
Testrit Geen abnormale trillingen.
Geen abnormale geluiden.
Status Handeling Resultaat
Het koppelings-/
rempedaal is niet
ingetrapt.
De krachtafnemer
is niet ingescha-
keld.
Probeer te starten. De motor
start niet.
Het koppelings-/
rempedaal is inge-
trapt.
De krachtafnemer
is ingeschakeld.
De bestuurder gaat
staan.
De motor
start niet.
Lopende motor. De
krachtafnemer is
ingeschakeld.
De bestuurder gaat
staan.
De krachtaf-
nemer wordt
uitgescha-
keld.
Lopende motor. Verwijder zeke-
ring 10 A.
Zie afb. 14.
De motor
stopt dan.
Cruise control
ingeschakeld.
De bestuurder gaat
staan.
Cruise con-
trol wordt
uitgescha-
keld.
Cruise control
ingeschakeld.
Het koppelings-/
rempedaal is inge-
trapt.
Cruise con-
trol wordt
uitgescha-
keld.
De schakelaar van
de gereed-
schapslift staat in
de neutrale stand.
Probeer de kracht-
afnemer in te scha-
kelen.
Het is onmo-
gelijk de
krachtafne-
mer in te
schakelen.