79
NEDERLANDS
NL
1. Verwijder vuil van de ketting met een draad-
borstel.
2. Draai aan het stuur en spray tegelijkertijd de ka-
bel zodat deze volledig wordt gesmeerd.
6.10.3Spanarmen en koppelingen
Smeer de lagerpunten met een oliespuit terwijl u
het betreffende bedieningselement bedient.
Dit gaat het beste met twee personen.
Bedien en smeer de volgende bedieningsele-
menten:
• Stuursysteem
• Koppeling, rem
• Maaidek omhoog brengen
• Maaidek inschakelen
• Maaihoogte instellen
6.10.4Gaskabel
Zie afb. 17. Smeer de kabeluiteinden met een
oliespuit terwijl u het betreffende bedieningsele-
ment bedient.
6.11Accu
Overlaad de accu nooit. Hierdoor kan
de accu beschadigd raken.
Let erop dat de accupolen geen kortslu-
iting maken, hierdoor kunnen vonken
en brand ontstaan. Zorg dat metalen si-
eraden niet in contact kunnen komen
met de accupolen.
Als er schade is ontstaan aan de behuizing, kap
of de polen van de accu of als er interferentie
optreedt bij de strip die over de kleppen ligt,
moet de accu worden vervangen.
De accu wordt gereguleerd door kleppen en heeft
een uitgangsspanning van 12 V. De accuvloeistof
kan en mag niet worden gecontroleerd of aange-
vuld. De accu hoeft alleen maar te worden opge-
laden, bijvoorbeeld als deze lang niet is gebruikt.
De accu moet volledig zijn opgeladen
voordat u deze voor de eerste keer gaat
gebruiken. De accu moet altijd volledig
opgeladen worden bewaard, anders
kan deze beschadigd raken.
6.11.1 Accu opladen met de motor
De accu kan ook worden opgeladen met de dyna-
mo van de motor, als volgt:
1. Plaats de accu in de machine zoals hieronder af-
gebeeld.
2. Zet de machine buiten of zorg dat de uitlaatgas-
sen kunnen worden afgevoerd.
3. Start de motor volgens de instructies in de han-
dleiding.
4. Laat de motor 45 minuten lopen.
5. Zet de motor af. De accu is nu volledig opgelad-
en.
6.11.2 Accu opladen met een oplader
Gebruik voor het opladen van de accu een oplader
met een constante spanning.
Neem voor een dergelijke oplader contact op met
uw dealer.
Als een standaard oplader wordt gebruikt, kan de
accu beschadigd raken.
6.11.3 Verwijderen/plaatsen
De accu bevindt zich onder de zitting. Zie afb. 4.
Let er bij het verwijderen of plaatsen van de accu
op dat de accukabels correct worden losgemaakt
en aangesloten.
• Bij het verwijderen. Maak eerst de zwarte kabel
los van de negatieve accupool (-). Maak daarna
de rode kabel los van de positieve accupool (+).
• Bij het plaatsen. Sluit eerst de rode kabel aan op
de positieve accupool (+). Sluit dan de zwarte
kabel aan op de negatieve accupool (-).
Als u de kabels niet in de juiste volgorde
losmaakt of aansluit, kan er kortsluit-
ing ontstaan met schade aan de accu tot
gevolg.
Als u de kabels verwisselt, raken de dy-
namo en de accu beschadigd.
Zet de kabels stevig vast. Losse kabels
kunnen brand veroorzaken.
Laat de motor nooit draaien met de
accu losgekoppeld. Hierdoor kunnen de
dynamo en het elektrische systeem be-
schadigd raken.
6.11.4 Reiniging
Als de accupolen geoxideerd zijn, moeten deze
worden gereinigd. Reinig de accupolen met een
staalborstel en smeer ze in met vet.
6.12 Luchtfilter
Het hoofdfilter (schuimplastic filter) (19:G) moet
elke 25 bedrijfsuren worden gereinigd/vervangen.
Het voorfilter (papierfilter) (19:F) moet elke 100
bedrijfsuren worden gereinigd/vervangen.
LET OP! Indien de machine in een stoffige omgev-
ing wordt gebruikt, dient u het luchtfilter vaker te
reinigen/vervangen.
Verwijder/installeer het luchtfilter als volgt.
1. Maak voorzichtig de omgeving van het luchtfil-
terhuis (18:E) schoon.
2. Verwijder de luchtfilterkap door de twee klem-
men aan de achterkant van de kap los te maken.
3. Verwijder de filters. Het hoofdfilter bevindt
zich ver naar binnen bij de motor. Let erop dat
de carburateur niet vuil wordt. Reinig het
luchtfilterhuis.