52
Zet de MicroRPM schakelaar van ‘Off’ op ‘SNIP’, zonder druk uit te
oefenen op het apparaat.
Vul de spuit geleidelijk tot de Watermanometer een onderdruk van 200
tot 300cmH2O aanduidt. Controleer of de meetwaarde op de MicroRPM
minder dan 3% van deze meetwaarde afwijkt.
Opmerking: De kalibratie kan enkel worden aangepast in positieve
richting, omdat de MicroRPM de hoogste piekwaarde meet. Als het
apparaat een hogere waarde aangeeft dan de Watermanometer, moet
de kalibratieschroef eerst linksom worden gedraaid, voordat de
kalibratie wordt uitgevoerd.
Seriele
poort
Kalibratieschroevendraaier
Om de MicroRPM te kalibreren, sluit u de Watermanometer aan, zoals
eerder beschreven, en vult de spuit tot de vereiste onderdruk. Om de
kalibratie aan te passen, draait u de kalibratieschroef langzaam
rechtsom, tot de MicroRPM dezelfde waarde aanduidt.