79
NL
Gebruik
De keypad kan als afstandsbediening worden gebruikt. U heeft uw gebruikerscode of
beheerderscode nodig vóór het inschakelen of uitschakelen van het systeem of vóór
het inschakelen van de thuismodus of stille modus.
Het systeem inschakelen
1. Druk op de inschakelknop [ ] of op de
thuisknop [ ] op de keypad om deze te
ontgrendelen.
2. Typ uw gebruikerscode of beheerderscode.
3. Druk op de inschakelknop [ ]. Het LED-lampje
knippert één keer, de keypad geeft één piepje af
en stuurt het bedieningspaneel het signaal om het
systeem in te schakelen.
Wanneer het alarmpaneel het signaal ontvangt, geeft de sirene één piepje af en
gaat het inschakellampje op het bedieningspaneel branden. Het alarmsysteem is nu
ingeschakeld.
Standaard beheerderscode: 123456, standaard gebruikerscode: 1234
Het systeem uitschakelen met de keypad
1. Druk op de inschakelknop [ ] of op de
thuisknop [ ] op de keypad om deze te
ontgrendelen.
2. Typ uw gebruikerscode of beheerderscode.
3. Druk op de uitschakelknop [
]: het LED-lampje
knippert één keer, de keypad geeft één piepje af
en stuurt het bedieningspaneel het signaal om het
systeem uit te schakelen.
Wanneer het bedieningspaneel het signaal ontvangt, geeft de sirene twee piepjes af en
gaat het uitschakellampje branden: het alarmsysteem is nu uitgeschakeld.
Uitschakelen met de RFID-tag
1. Druk op de inschakelknop [ ] of op de
thuisknop [ ] op de keypad om deze te
ontgrendelen.
2. Druk op [*] om de RFID-lezer 10 seconden lang
in te schakelen.
3. Veeg binnen 10 seconden met de RFID-tag voor
de lezer langs om het systeem uit te schakelen.
De RFID-lezer wordt uitgeschakeld wanneer een RFID-tag voor de lezer langs wordt
geveegd, wanneer nogmaals op de knop [*] op de keypad wordt gedrukt of nadat 10
seconden lang geen handelingen zijn uitgevoerd.
Thuismodus
1. Druk op de inschakelknop [ ] of op de
thuisknop [ ] op de keypad om deze te
ontgrendelen.
2. Typ uw gebruikerscode of beheerderscode.
3. Druk op de [ ] knop: het LED-lampje
knippert één keer, de keypad geeft één
piepje af en stuurt het bedieningspaneel het
signaal om naar de thuismodus te schakelen.
Wanneer het alarmpaneel het signaal ontvangt, geeft de sirene één piepje af en gaat
het lampje van de thuismodus branden: het alarmsysteem is nu in de thuismodus
geschakeld.
Alle sensoren in de gewone zones worden ingeschakeld, behalve de sensoren in de
thuiszone. De sensoren in de thuiszone worden uitgeschakeld zodat de gebruikers
hun huis binnen kunnen gaan.
Voor meer informatie over zone-instelling kunt u de gebruikershandleiding van het
eTiger-alarmsysteem raadplegen.