M1.1.CAT415.NLFREN 14062018
5
NL
9 Functiebeschrijving van onderdelen voor bediening en controle
1 Zekering Zorgt voor bescherming tegen overbelasting en kortsluiting
2 Stroomschakelaar Om de stroom in of uit te schakelen
3 Lichtschakelaar Om het licht aan of uit te doen
4 Stofschakelaar Om de stofafzuiging aan of af te zetten
5 Controlelampje “deuren gesloten” Als het brandt, zijn de deuren dicht en kan met het vaste pistool
gewerkt worden.
6 Controlelampje vast pistool Als het brandt, werkt het vast pistool
7 Controlelampje beweegbaar pistool Als het brandt, werkt het beweegbare pistool
8 Luchtdrukmeter Duidt de luchtdruk voor het stralen aan
9 Luchtdrukklep Regelt de luchtdruk waarmee gewerkt wordt. Draaien in
wijzerzin verhoogt de druk, in tegenwijzerzin verlaagt de druk.
10 Pedaalschakelaar Bedient de werking van het vaste pistool
11 Elektromagnetische klep Regelt het wisselen van de luchtuitlaat
10 Instructies voor het gebruiken van de elektrische bediening
1. Steek de stekker in een geaard stopcontact.
2. Zet de stroomschakelaar op “ON”, het controlelampje begint onmiddellijk te branden. Indien niet, controleer dan de
stroomvoorziening , de kabel en de zekering. Gebruik indien nodig vervangstukken van hetzelfde type.
3. Zet de lichtschakelaar op “ON”, het licht begint onmiddellijk te branden.
4. De sensor voor “deuren gesloten” beschermt de operator en de directe omgeving tegen de straalmiddelen. Als het
controlelampje brandt, zijn de deuren goed dicht en kan met het vaste pistool gewerkt worden.
5. Als het bedieningssysteem uitvalt of er iets niet goed werkt, laat het dan door een gespecialiseerde technieker herstellen.
11 Hoe het straaleffect onder controle houden
1. Kies afhankelijk van hoe jn u het werkstuk wil zandstralen de juiste spuitmond en luchtspuit.
2. Gebruik de juiste dikte van schuurmiddel. Omdat het slijt tijdens het straalproces, wordt aangeraden een dubbele laag van
gewoon venster te gebruiken om het straalmiddel te weerstaan na enige tijd.
3. Beweeg het werkstuk of het pistool gelijkmatig en in draaiende bewegingen tijdens te stralen.
4. De luchtdruk moet tijdens het werken stabiel blijven.
5. Zorg voor een goede verlichting om een goed overzicht van de cabineruimte te hebben.
12 Onderhoud
1. De luchtslangen mogen niet geblokkeerd, gedraaid of met kracht samengedrukt worden.
2. Deeltjes straalmiddel kunnen tussen de deurafsluiting raken. Gebruik een zachte borstel om ze na verloop van tijd weg te
vegen.
3. Als de zichtbaarheid in de cabine vermindert, vervang dan de beschermende lm op het kijkvenster.
4. Als het stralen gedaan is, verwijder dan resterende straalmiddelen tussen luchtspuit en spuitmond.
copyrighted document - all rights reserved by FBC