32
NL
PROBLEMEN OPLOSSEN
PROBLEMEN AANWIJZIGINEN OORZAKEN OPLOSSINGEN
Ventiel spoelt
niet:
Spoelventiel
druppelt of
waterstroom
stopt niet.
Gereduceerde
waterstroom
1. Sensor knippert
gelijkmatig als de gebruiker
binnen het bereik van de
sensor komt.
2. Sensor knippert niet als
de gebruiker binnen het
bereik van de sensor komt.
3. Het rode lampje op de
sensor knippert als de
gebruiker zich binnen het
sensorbereik bevindt.
1. De sensor knippert
wanneer de gebruiker
binnen het bereik van de
sensor komt.
2. Het rode lampje knippert
niet wanneer de gebruiker
binnen het bereik van de
sensor komt.
Zwakke batterij.
1. Bereik is te gering.
2. Bereik is te groot
3. Batterij is helemaal leeg.
4. Sensor vangt reflecties van
een spiegel, wastafel of andere
voorwerpen op.
1. De verbinding tussen elektronica-
eenheid en magneetklep is los.
2. Vuil- of kalkafzettingen in de
magneetklep.
3. De centrale opening in het
diafragma is verstopt of het diafragma
is gescheurd
4. De waterdruk bij de watertoevoer is
hoger dan 8 bar.
Vuil- of kalkafzettingen in het
diafragma of diafragma is gescheurd.
1. De sensor is vuil of bedekt.
2. Sensor vangt reflecties van
een spiegel, wastafel of andere
voorwerpen op.
Reguleerklep deels dichtgedraaid
Filter is vuil of verstopt.
Vervang de batterij
Vergroot het bereik.
Verklein het bereik.
De batterij moet vervangen
worden.
Verwijder de oorzaak van de
reflectie.
Verbind de elektronica-eenheid
met de magneetklep.
Reinig de magneetklep en
vervang deze bij sterke
verontreiniging. Schroef de klep
open en haal de piston en het
veertje eruit en reinig ze. Zorg
ervoor dat bij het terug plaatsen
van de piston het veertje vertikaal
blijft staan.
Reinig de opening of vervang het
diafragma.
Reduceer de waterdruk van de
watertoevoer
Reinig de opening of vervang het
diafragma.
Reinig of verwijder de bedekking.
Verklein het bereik of verwijder
de oorzaak van de reflecties.
Zet de reguleerklep geheel open.
Reinig of vervang de filter.