55
NEDERLANDS
NL
6.2.2. Een koude motor starten
1 Zet de choke in de chokestand. Zie (B) in afb. 9.
2 Druk eenmaal op de brandstofknop zodat er verse
brandstof in de aanzuigpijp binnenstroomt. Zie afb. 10.
3 Zet de smoorklep in de startstand. Zie afb. 11.
4 Plaats de bosmaaier stabiel op een vlakke ondergrond.
WAARSCHUWING! Wanneer de motor wordt ge-
start, begint de zaagschijf/trimkop op hoge toeren
te draaien. Zorg ervoor dat u niet in contact komt
met de draaiende delen.
5 Druk de motor met de ene hand tegen de grond terwijl u
met de andere hand het startkoord rustig aantrekt.
Wanneer het startmechanisme aangrijpt, trekt u krachtig
en snel aan het koord tot de motor start. Zie afb. 12.
N.B.! Trek het koord niet met volle kracht tegen zijn aanslag
en laat het ook niet los wanneer het uitgetrokken is. Hierdoor
kan het startmechanisme worden beschadigd.
6 Wanneer de motor is gestart drukt u de gasklep in, (11)
in afb. 3, zodat de choke wordt teruggesteld.
7 Hang de bosmaaier aan het draagstel. Gebruik het gat dat
het beste evenwicht geeft. Zie afb. 13.
8 SB40, SB44, SB52:
Draai de vleugelschroef (15) iets los
en stel het handvat (14) zo comfortabel mogelijk af. Span
de vleugelbout vervolgens vast. Zie afb. 4.
6.2.3. Een warme motor starten
Wanneer de motor warm is, start u deze volgens de punten 3-
5 van de beschrijving hierboven.
6.2.4. Leegloopafstelling
De bosmaaier dient onbelast regelmatig te lopen zonder dat
de zaagschijf/trimkop draait. Stel het onbelast toerental af
met de stelschroef, (A) in afb. 9. Zie paragraaf 9 voor het
betreffende toerental.
6.3 STOPPEN
Om de bosmaaier te laten stoppen zet u de smoorklep in de
stopstand. Zie afb. 14.
6.4 DE ZAAGSCHIJF/TRIMKOP VERVANGEN
Zet de meegeleverde schroevendraaier in het gat van de
behuizing van de hoektransmissie. Draai de as zodat u de
schroevendraaier erin kunt steken en zet de spindel vast. Zie
afb. 7.
De zaagschijf demonteert u door de moer de meegeleverde
sleutel los te draaien. De trimkop maakt u met de hand los.
N.B.! Linkse schroefdraad.
Monteer het nieuwe gereedschap volgens de beschrijving
van paragraaf 5.
6.5 DE TRIMDRADEN VERVANGEN
1 Demonteer de deksel van de trimkop door de twee
sluitlippen met de meegeleverde schroevendraaier te
verbuigen. Zie afb. 15.
2 Verdraai de trommel zodat de twee uitsparingen
tegenover het gat van de trimdraden komen te zitten. Zie
afb. 16.
3 Trek de trommel omhoog en verwijder de draadresten.
4 Zet de trimdraden vast in de trommel. Zie afb. 17.
5 Wikkel de trimdraden in de pijlrichting. Zie afb. 18.
6 Rijg de trimdraden door de gaten naar buiten. Richt de
trommel zodat de twee uitsparingen tegenover de gaten
van de draden komen te staan. Zie afb. 16. Druk de
trommel in de trimkop en trek tegelijkertijd de
trimdraden ca. 10 mm naar buiten.
7 Druk de deksel van de trimkop vast op zijn plaats.
Controleer of de deksel door de twee sluitlippen wordt
vastgehouden.
6.6 DE ZAAGSCHIJF SCHERPEN
WAARSCHUWING! Ontkoppel de bougie alvo-
rens u met het scherpen begint.
WAARSCHUWING! Gebruik veiligheidshand-
schoenen bij het scherpen van de zaag. Gevaar
voor verwondingen.
6.6.1 Grasmaaischijf, afbeelding 19.
Gebruik een degelijke platte vijl en scherp de maaischijf
volgens de afbeelding. Scherp alle meskanten evenveel om
de schijf in balans te houden.
6.6.2 Zaag voor het opruimen van struikgewas en bomen
WAARSCHUWING! Een verkeerd gescherpte
zaagschijf veroorzaakt matige steenslingering.
WAARSCHUWING! Een zaagschijf met te
zwakke zetting veroorzaakt steenslingering.
1 Controleer of de zetting van het zaagschijf ca. 1 mm
bedraagt. Zet deze eventueel bij met een combinatietang.
Zie afb. 20.
2 Scherp de zaagschijf met een 5,5 mm ronde vijl. Richt de
vijl volgens afb. 21.
3 Scherp de tanden beurtelings naar rechts en naar links.
Scherp alle tanden evenveel.
4 Wanneer de zaagschijf erg beschadigd is, dient de top dan
de tanden te worden platgevijld. Gebruik een degelijke
platte vijl en vijl alle tanden evenveel. Zie afb. 22.
6.7 BEDIENINGSVOORSCHRIFTEN
6.7.1 Voorschriften voor het opruimen
• Zet de zaagschijf nooit aan met de hoek rechts vóór,
volgens afb. 23. Dit verhoogt het risico voor
weggesslingerde stenen en vasthaken.
• Wanneer u de zaag tegen een boomstam aanzet, dient u
altijd vol gas te geven.
• De zaagschijf dient altijd goed gescherpt te zijn. Dit
verhoogt de zaagsnelheid en vermindert het klemrisico.
• Wees voorzichtig bij het zagen in de buurt van stenen. De
zaag kan onverwachte bewegingen maken wanneer u in
de stam zaagt.
• Raak nooit de grond met de zaagschijf.
• Wanneer de stam in de windrichting wordt geveld, is het
klemrisico minder groot.