32
NL
Schuif de parallelgeleidingsarm door beide bevestigingen
voor de parallelgeleiding en draai de vergrendelknop
(a) vast om de gewenste zaagafstand te verkrijgen.
De parallelgeleiding kan in twee posities worden
gemonteerd, zoals afgebeeld op H1 en H2.
9. PENDEL INSTELLINGEN (Zie afb. I)
De pendelfunctie varieert de zaaghoek van het blad voor
verhoogde zaagdoelgerichtheid, bij vooruit zagen. Dit kan
ook worden versteld tijdens het draaien zonder lading.
Raadpleeg de onderstaande tabel voor meer informatie.
Gebruik geen overmatige kracht wanneer u zaagt met
een pendelinstelling. Het blad zaagt alleen met de
opwaartse slag .
Tabel 2
0
Dunne materialen. Fijn zagen. Nauwe
bochten.
I Harde materialen, (bijv. staal en spaanplaat)
II Dikke materialen (bijv. hout en plastic)
III
Snel zagen (bijv. zachthout). In de richting
van de nerf zagen.
10. VOETPLAAT
Door de hoek van de voetplaat (7) te verstellen, kunt
u ook schuin (verstek) zagen. De voetplaat moet altijd
stevig tegen het materiaal dat u wilt zagen, gedrukt
worden om trillingen, het verspringen van het zaagblad
of het breken van het zaagblad te voorkomen.
11. AFSTELLEN HOEK VOETPLAAT
Gebruik een hex-sleutel (5). Houd de basisplaat vast
wanneer u de bouten losdraait (Zie afb. J). Draai de
basisplaat zodat de hoekindicaties op de basisplaat
gelijk staan met de indicaties op de hoekplaat (8) , voor
0°-, 15°-, 30°-, 45°-hoeken (Zie afb. K) . Voor andere
verstekhoeken, draainaar uw gewenste hoek (gebruik
een hoekmeter). Houd na één van bovenstaande
procedures de basisplaat in positie en draai de bouten
strak aan om de basisplaat te klemmen in de gewenste
hoek. Controleer nadien de hoek en zorg dat de
basisplaat stevig geklemd is. De hoekindicaties op de
basisplaat zijn voor de meeste zaagwerken voldoende
nauwkeurig, maar voor preciesiewerk is het aangeraden
om de hoek met een gradenboog in te stellen en een
proefdraai te maken op een stuk overbodig materiaal.
12. STOFBUIS (ZIE AFB. L)
Bevestig de stofbuis (6) aan de opening van
de grondplaat (7). Let erop dat de plastic punt
van de vacuumverbinding overeenkomt met de
corresponderende opening van de behuizing,zoals
getoond wordt op de afbeelding.
13. BESCHERMKAPJE
Het beschermkapje wordt vooraan op de bladhouder
geplaatst. Het voorkomt onbedoeld contact met het
draaiende blad tijdens gebruik.
14. LUCHTGAT VAN DE STOFVERSTUIVER
Dit is een kleine opening die zich onder de behuizing
bevindt, net achter de bladgeleiding. Zo wordt het
werkgebied schoongehouden omdat het stof voortdurend
uit het snijgebied wordt geblazen.
TIPS VOOR HET WERKEN MET UW
DECOUPEERZAAG
Als uw decoupeerzaag te heet wordt, vooral bij het
gebruik op een lage snelheid, moet u de snelheid
maximaal zetten en het apparaat 2-3 minuten zonder
lading laten draaien om de motor af te laten koelen.
Vermijd langdurig gebruik aan zeer lage snelheden.
ALGEMEEN
Gebruik een zaagblad dat geschikt is voor het materiaal
en de materiaaldikte die gezaagd moet worden. Zorg dat
het werkobject stevig vastgeklemd zit om bewegingen
te voorkomen. Gebruik, voor makkelijkere controle, lage
snelheden om het zagen te starten, en verhoog dan naar
de juiste snelheid.
Elke beweging van het materiaal kan de kwaliteit van
de snede beïnvloeden. Het zaagblad zaagt met een
opwaartse beweging en kan het bovenste oppervlak van
de randen van het werkobject versplinteren bij het zagen.
Zorg dat het bovenste oppervlak niet zichtbaar is als u
klaar bent.
LAMINAAT ZAGEN
Gebruik een fijn zaagblad bij het zagen van laminaat
en dunne houten materialen. Om het afbreken van
stukken hout aan de zijkant te voorkomen, klem stukken
overbodig hout aan beide kanten tijdens het zagen.
CIRKELS ZAGEN
Gebruik de pendelinstelling niet als u cirkels of hoeken
zaagt.
INVALZAGEN
Uitsluitend zachte materialen als hout, gasbeton,
gipsplaat en dergelijke mogen invallend worden gezaagd.
Gebruik alleen korte zaagbladen.
Plaats de machine met de voorste rand van de voetplaat
op het werkstuk en schakel de machine in. Duw de
machine stevig tegen het werkstuk en laat het zaagblad
langzaam in het werkstuk invallen.