21
LADEN
1)Ladenvaneenpermanentgeïnstalleerdeaccuineenvoertuig
a) Voor het verbinden of loskoppelen van de accu, dient het netsnoer uit het stopcontact
verwijderd te zijn.
b) Controleer de polariteit van de contactpunten van de accu. De positieve (“+”) pool van de
accu is meestal groter dan de negatieve (“-”) pool.
c) Identificeer de pool van de accu die verbonden is met het chassis (aarding). Normaal
gezien is de negatieve aansluiting verbonden met het chassis.
d) Laden van een negatief geaarde accu:
• Zorgdatdezwartedraad(“-”pool)nietinaanrakingkomtmetdebrandstoeidingof
de accu.
• Verbindderodedraad(“+”)metdepositieve(“+”)poolvandeaccuendezwarte
draad (“-“) met het chassis van het voertuig.
e) Laden van een positief geaarde accu:
• Zorgdatderodedraad(“+”pool)nietinaanrakingkomtmetdebrandstoeidingof
de accu.
• Verbinddezwartedraad(“-”)metdenegatieve(“+”)poolvandeaccuenderode
draad (“+“) met het chassis van het voertuig.
2) Laden van een accu die niet verbonden is aan een voertuig
a) Voor het verbinden of loskoppelen van de accu, dient het netsnoer uit het stopcontact
verwijderd te zijn.
b) Verbind de rode draad (“+”) met de positieve (“+”) pool van de accu en de zwarte draad
(“-“) met de negatieve (“-”) pool.
In geval van verkeerde polariteit geeft de rode LED de foutmodus aan. Deze
functie werkt niet in voedingsmodus. Het foutindicatielampje licht ook op
wanneer de laadmodus wordt gestart zonder dat de accu op de lader is aangesloten.
3) Laden met aansluitogen (Permanente verbinding met de accu van het voertuig)
a) Voor het verbinden of loskoppelen van de accu, dient het netsnoer uit het stopcontact
verwijderd te zijn.
b) Verbind de rode draad (“+”) met de positieve (“+”) pool van de accu en de zwarte draad
(“-“) met de negatieve (“-”) pool.
2
2
NEDERLANDS