83
NL
ASSEMBLAGE
gebruikt om het werkgebied af te bakenen.
Wanneer de robotmaaier detecteert dat er geen gras is of dat hij een obstakel tegenkomt,
verandert hij zijn route willekeurig en begint hij opnieuw te maaien in een nieuwe richting. Opdat
de robotmaaier zich vrij in het gazon kan bewegen, moet het gazon correct worden gecontroleerd
en afgesteld zodat de robotmaaier voldoende ruimte heeft om de afwezigheid van gras te
herkennen. Volg de onderstaande instructies zorgvuldig om erachter te komen welke soorten
randen/afscherming wel en niet kunnen worden gebruikt om het werkgebied af te bakenen.
Bestrating
Gazons hebben een verharde of houten rand nodig van minstens 35 cm breed om veilig te kunnen
stoppen en van richting te veranderen.
Straatstenen of houten stoepranden die minder dan 35 cm breed zijn, moeten verbreed worden of
kunnen gebruikt worden met een barrière. Zie het gedeelte Verhoogde barrière hieronder (Fig. 3).
Verhoogde barrière
Wanneer de ultrasone sensoren worden geactiveerd, kan een barrière van meer dan 6 cm worden
gebruikt om het werkgebied af te bakenen.
Als een bestaande barrière korter is dan 6 cm, moet deze worden vervangen of verhoogd, of er
moet bestrating worden aangebracht (Fig. 4).
Omslag
Wanneer de ultrasone sensoren worden geactiveerd, kunnen heggen worden gebruikt om het
werkgebied af te bakenen (Fig. 5).
OPMERKING : gebladerte wordt over het algemeen herkend als gras door de robotmaaier.
Daarom moeten de ultrasone sensoren altijd worden geactiveerd wanneer hagen worden gebruikt
om het werkgebied af te bakenen.
Fijn grind
Als je jn grind of kleine stenen gebruikt om het gazon te bekleden, zorg er dan voor dat de rand
meer dan 35 cm breed is en dat de randen schoon zijn (Fig. 6).
OPMERKING: Gebruik nooit grind, stenen of soortgelijke materialen met ongelijke randen om het
werkgebied af te bakenen (afb. 7). Als de randen niet duidelijk zijn, zal de maaier het maaigebied
verlaten en zullen de messen beschadigd raken.
Fysieke barrières
Het is ook mogelijk om een grens te gebruiken die de beweging van de maaier fysiek belemmert.
Deze grens kan minder dan 6 cm zijn, zodat hij niet wordt gedetecteerd door ultrasone
objectsensoren, en kan ook smaller zijn dan 35 cm. Wanneer de robot deze fysieke grens
tegenkomt, stopt hij, keert hij om en draait hij. Dit type grens kan in bepaalde gebieden geschikt