59
NL
STORINGEN OORZAKEN OPLOSSINGEN
De hogedrukreiniger trilt veel
en maakt veel geluid.
Filter op watertoevoer (20) vuil. Neem de aanwijzingen in acht
van de paragraaf
“NORMAAL
ONDERHOUD”
.
Onvoldoende watertoevoer. Controleren of het kraantje helemaal
geopend is en of het debiet van het
waterleidingnet met de gegevens
van de paragraaf
“EIGENSCHAPPEN
EN TECHNISCHE GEGEVENS”
.
De maximum druk van de
hogedrukreiniger is niet
mogelijk.
De vernevelkop (16) is op de stand
lage druk geplaatst
FIG. 3b
.
Verricht de handelingen van
AFB.3-a
.
De vernevelaar is versleten. Neem de aanwijzingen in acht
van de paragraaf
“NORMAAL
ONDERHOUD”
voor het vervangen
van de vernevelaar.
Onvoldoende watertoevoer. Controleren of het kraantje helemaal
geopend is en of het debiet van het
waterleidingnet met de gegevens
van de paragraaf
“EIGENSCHAPPEN
EN TECHNISCHE GEGEVENS”
.
Het reinigingsmiddel wordt
slecht aangezogen.
Vernevelkop (16) onder hoge druk
FIG. 3a)
.
Verricht de handelingen van
AFB.3-b
.
Geen product in de tank Met product vullen.
Het gebruikte reinigingsmiddel is
te viskeus.
Een van de door de fabrikant
aanbevolen reinigingsmiddelen
gebruiken en aanlengen volgens de
aanwijzingen van het etiket.
Uit de vernevelaar spuit geen
water.
Geen water. Verifiëren of de kraan van het
waternet geopend is.
Vernevelaar verstopt. Neem de aanwijzingen in acht
van de paragraaf
“NORMAAL
ONDERHOUD”
voor het reinigen
en/of vervangen van de vernevelaar.
De hogedrukreiniger komt
tijdens de functionering tot
stilstand.
De veiligheidsinrichting van de
installatie waar de hogedrukreiniger
op is aangesloten heeft ingegrepen
(zekering, dierentieelschakelaar,
enz.).
Herstel de veiligheidsinrichting.
DE HOGEDRUKREINIGER
NIET GEBRUIKEN ALS DE
VEILIGHEIDSINRICHTING
WEDEROM INGRIJPT EN
CONTACT OPNEMEN MET EEN
GESPECIALISEERD TECHNICUS.
De thermische of ampèrometrische
beveiliging heeft ingegrepen.
Neem de aanwijzingen
in acht van de paragraaf
“VEILIGHEIDSINRICHTINGEN”.
De hogedrukreiniger is
geplaatst in
TOTAL STOP
en
start spontaan op.
Het toevoercircuit lekt en/of
druppelt.
Controleren of het toevoercircuit
heel is.
De motor zoemt maar start niet
als aan de hoofdschakelaar (2)
wordt gedraaid.
Elektrische installatie en/of
verlengsnoer ongeschikt.
Controleren of de voorschriften
voor de aansluiting op het
elektriciteitsnet zijn nageleefd
(zie de
HANDLEIDING
VEILIGHEIDSMEDEDELINGEN
; dit
geldt met name voor het gebruikte
verlengsnoer.