26
NL
13. Aanwijzingen omtrent het verhelpen van fouten
Als het toestel naar behoren wordt gebruikt zouden er zich geen storingen mogen voordoen. In
geval van problemen gelieve eerst de volgende mogelijkheden na te gaan alvorens de
klantendienst te verwittigen.
Storing Mogelijke oorzaak Maatregel
Ventilator draait niet - geen stroom - netstekker controleren,
- nettoevoer controleren eventueel
netkabel vervangen*
Geen ontsteking - ontstekingskabel defect
- ontstekingskabel zit los
- afstand tussen elektrode en
brander te groot
- ontstekingskabel controleren,
eventueelvervangen*.
- ontstekingskabel controleren,
eventueel vast aansluiten*
- afstand instellen op 5 mm* (zie
fig. 4).
Er stroomt geen gas - gasfles leeg
- afsluiter van de gasfles
dichtgedraaid
- veiligheidsklep in het toestel
heeft het gas nog niet
vrijgegeven
- gasfles vernieuwen
- afsluiter opendraaien.
- inschakelpoging herhalen (zie
hoofdstuk 7.1.2)
Er stroomt te veel gas
binnen of vlam te groot
- drukregelaar defect - drukregelaar vervangen
Brandervlam dooft terwijl
het toestel in werking is
- thermo-element niet warm
genoeg
- luchtinlaat en/of luchtuitlaat
geblokkeerd
- geen netspanning
- vlam wordt door wind of tocht
uitgeblazen
- inschakelpoging herhalen
(zie hoofdstuk 7.1.2)
- luchtaanzuigrooster
schoonmaken, hindernissen voor
luchtaanzuiging uit de weg
ruimen, ventilatorfunctie
controleren.
- nettoevoer controleren eventueel
netkabel vervangen*
- het toestel uit de wind en tocht
opstellen, enkele minuten laten
afkoelen, daarna
inschakelpoging herhalen (zie
hoofdstuk 7.1.2)
Let op!
* Deze werkzaamheden dienen door gekwalificeerd en geautoriseerd vakpersoneel te worden verricht!