1.3.11 Tanken
Brandstof is uitermate ontvlambaar en verspreidt explosieve dampen.
Tijdens het tanken moet de motor stilliggen. Het is verboden te roken, dichtbij te komen of
vonken te veroorzaken tijdens het vullen van de brandstoftank.
Veeg alle sporen van brandstof weg met een schone doek.
Gevaar
Olieproducten moeten worden opgeslagen en behandeld overeenkomstig de bepalingen van de wet. Draai de brandstofkraan (indien
aanwezig) bij elke vulbeurt dicht. Vul nooit brandstof bij terwijl het aggregaat in werking of warm is.
Plaats het aggregaat altijd op een effen, vlakke en horizontale ondergrond om te vermijden dat brandstof van de tank op de motor
terechtkomt. Vul de tank met behulp van een trechter, zorg ervoor dat geen brandstof wordt gemorst en schroef daarna de vuldop weer
op de brandstoftank.
1.3.12 Voorzorgsmaatregelen bij het gebruik van de accu's
Plaats de accu nooit in de buurt van een vlam of vuur.
Gebruik alleen geïsoleerd gereedschap.
Gebruik nooit zwavelzuur of aangezuurd water om de elektrolyt bij te vullen.
Gevaar
2. Beschrijving van het aggregaat
Afbeelding A
1 Geaard stopcontact 7 Terugloopstarter 13 Brandstoffilter
2 Oliepeilstok 8 Onderbrekerschakelaars 14 Luchtfilter
3 Oliebijvulplug 9 Elektrische contactdozen 15 Startaccu
4 Brandstoftankdop 10 Stophendel 16 Uitlaatdemper
5 Contactsleutel 11 Olieaftapplug
6 Elektromagnetisch ventiel 12 Oliefilter
Afbeelding B
1 Oliemeter 3 Onderste grens van de meter 5 Vijs
2 Bovenste grens van de meter 4 Olieaftapplug 6 Oliefilter
Afbeelding C
1
Slangklem toevoer naar
brandstoffilter
2
Slangklemmen toevoer motor en
terugkeer brandstoffilter
3 Schroef van de brandstoffilter
Afbeelding D
1
Moer van het deksel van de
luchtfilter
3 Vleugelmoer 5 Onderdeel in papier
2 Deksel van luchtfilter 4 Onderdeel in schuimrubber 6 Rubberen dichting
3. Voorbereiding voor gebruik
3.1. Plaats van gebruik
Kies een schone, geventileerde en tegen weer en wind beschutte plaats.
Plaats het aggregaat op een effen, horizontaal en voldoende stevig oppervlak zodat het niet in de grond zakt (het aggregaat mag in
geen geval meer dan 10° hellen).
Zorg dat de olie- en brandstofvoorraad zich in de nabijheid van de plaats van gebruik van het aggregaat bevindt, maar wel op een
veilige afstand ervan.
3.2. Aarding van het aggregaat
De stroomopwekkende groepen verdelen elektrische stroom bij hun gebruik : risico voor
elektrokutie. De stroomopwekkende groep met de aarde verbinden bij elk gebruik.
Gevaa
Om de groep met de aarde te verbinden; een koperdraad van 10 mm
2
verbinden met de stroomopwekkende groep en met een
aardingspaal in gegalvaniseerd staal, die 1 meter in de grond geslagen is.