25
6.4.2 De adapter-laadkabel met de ringogen aansluiten
Let op: Zorg ervoor dat de oplader niet is aangesloten op het stopcontact en dat de adapter-laadkabel
niet is aangesloten op de acculader.
Bevestig het ringoog van de rode pluskabel op de plusaansluiting van de accu van uw voertuig, bijvoorbeeld de
schroef van de poolklem. Het ringoog van de zwarte minkabel bevestigt u aan de massa-aansluiting van uw accu.
Leg de laadkabel zonder knikken of trekspanning aan. Deze mag niet in de buurt van hete of draaiende delen van
de motor worden gemonteerd. De aansluitstekker mag niet nat worden.
6.5 De accu opladen
Let op: Nadat de stekker in het stopcontact is gestoken, dient u het gewenste laadprogramma te se-
lecteren door meermaals indrukken van de MODE-toets. Wanneer de MODE-toets niet wordt ingedrukt,
wordt het oplaadprogramma niet gestart. Als het laadproces aan de gang is, kunt u niet meer overscha-
kelen op een ander oplaadprogramma. Als u met een ander dan het ingestelde laadprogramma wilt
laden, trekt u de netstekker uit het stopcontact en wacht u totdat het display donker is geworden. Steek
vervolgens de stekker weer in het stopcontact en ga verder zoals eerder hierboven beschreven.
6.5.1 Het laadprogramma selecteren
Sluit de adapter-laadkabel met de laadkabel (positie D in het overzicht) aan op de oplader. Steek nu het netsnoer
(positie A in het overzicht) van de oplader in het stopcontact. De achtergrondverlichting van het display wordt
ingeschakeld. Wanneer de accu onjuist wordt aangesloten (polen verwisseld) of de oplader geen contact maakt,
brandt op het display de storingsmelding ˝Er1˝. Als op het display de storingsmelding ˝Er2˝wordt weergegeven,
dan is een defecte 6 V-accu aangesloten die niet met de acculader kan worden opgeladen. Als de accu correct is
aangesloten, worden op het display de werkelijke accuspanning en de symbolen voor het ingestelde oplaadpro-
gramma weergegeven.
Selecteer nu het gewenste oplaadprogramma door meermaals indrukken van de MODE-toets.
De oplaadprogramma‘s kunnen in onderstaande volgorde, door het indrukken van de MODE-toets, worden
geselecteerd:
Motorets 6 V Motorets 6 V Winter
Motorets 12 V Motorets 12 V Winter
Auto 12 V Auto 12 V Winter
Afhankelijk van de laadtoestand van de accu past het apparaat de laadstroom aan, teneinde de aangesloten accu
optimaal op te laden. Uitsluitend tijdens de hoofdlaadfase wordt geladen met de maximale laadstroom. Vlak voor-
dat de maximale laadcapaciteit wordt bereikt, wordt gewerkt met een lagere laadstroom. Zo wordt de accu rustig
en optimaal tot aan de maximale capaciteit opgeladen. Het op het display weergegeven accusymbool (positie 7 in
het overzicht), geeft de actuele vulstand van de accu aan.