31
NL
5 10152025303540 m
3
/min
300 600 900 1200 1500 1800 2100 2400 m
3
/h
Luchtopbrengst V
.
dB(A)
Geluids-
niveau L
A
85
80
75
RD 62 50 Hz
5 10152025303540 m
3
/min
300 600 900 1200 1500 1800 2100 2400 m
3
/h
Luchtopbrengst V
.
dB(A)
Geluids-
niveau L
A
85
80
75
RD 62 60 Hz
5 10152025303540 m
3
/min
300 600 900 1200 1500 1800 2100 2400 m
3
/h
Luchtopbrengst V
.
dB(A)
Geluids-
niveau L
A
90
85
80
75
RD 64 50 Hz
5 10152025303540 m
3
/min
300 600 900 1200 1500 1800 2100 2400 m
3
/h
Luchtopbrengst V
.
dB(A)
Geluids-
niveau L
A
90
85
80
75
RD 64 60 Hz
2.6 Lawaai
Het door de ventilator veroorzaakte geluid is niet over het gehele
vermogensbereik constant (zie onderstaande diagrammen).
In bepaalde ongunstige gevallen is een geluiddemper noodza-
kelijk (wij adviseren de gebruiker metingen uit te voeren).
De gebruiker dient de geluiddemping te verzorgen, opdat de
wettelijk toegestane maximale waarden op de werkplek in de
omgeving van de ventilator niet worden overschreden.
3.1 Transport
● Controleer voor de montage en de inbedrijfstelling alle onder-
delen op transportbeschadigingen.
● De ventilator niet onbeschermd in de buitenlucht opslaan
(tegen vocht beschermen).
● De hefmiddelen veilig plaatsen. Alleen hefgereedschap en
lastopnamevoorzieningen gebruiken die voldoende sterk zijn.
3.2 Plaatsen, montage
● De ventilator tegen weersinvloeden beschermd, horizontaal
plaatsen.
● Niet aan trillings- of stootbelastingen blootstellen.
● Ventilator met voet; op vlakke en stevige montageplaat vast-
schroeven.
● De open zuig- en blaasopeningen met veiligheidsroosters
conform DIN EN ISO 13857 afdekken.
3 Installatie
3.3 Elektrische aansluiting
Opmerking!
De in dit hoofdstuk omschreven werkzaamheden mo-
gen alleen door een gediplomeerd elektricien worden
uitgevoerd. De aansluiting moet overeenkomstig het
schema in de klemmenkast en de desbetreffende
plaatselijke bepalingen worden uitgevoerd.
Als aandrijfmotor is een draaistroommotor aangebouwd.
● De aandrijfmotor dient te worden voorzien van een motor-
beveiligingsschakelaar.
● De aansluiting voor de aarding zit in de klemmenkast.
Controle van de draairichting
De ventilator inschakelen.
De draairichting van de ventilatorbladen moet overeenkomen
met de richting van de pijl op de behuizing. Wanneer de draai-
richting niet overeenkomt, moeten de aansluitingen L1 en L3
worden verwisseld.
Wanneer de berekende stroomsterkte van de aandrijfmotor
tijdens de werking wordt overschreden, is het noodzaak te
controleren of de netspanning en -frequentie overeenkomen
met de specificaties van het apparaat (typeplaatje).
Bij ventilatoren, die niet over de gehele karakteristiek te gebrui-
ken zijn, kan bij een te lage installatieweerstand de motor over-
belast raken (te hoge stroomsterkte). Verminder de volume-
stroom in dit geval door middel van een op de druk- en zuigzijde
ingebouwde smoorklep.
Men mag de ventilator niet aan trillings- of stootbelastingen
blootstellen.
4 Werking
Aan slijtage onderhevige onderdelen vallen onder de door ons
geadviseerde onderhoudsintervallen en vormen een deel van
de geldende garantieclaims. De levensduur van de aan slijtage
onderhevige onderdelen (kogellagers en filters) is afhankelijk
van de bedrijfsuren, de belasting en andere invloeden zoals
temperatuur enz.
5.1 Kogellagers
De ventilator is voorzien van gesloten groefkogellagers, die geen
verdere smering nodig hebben en die een minimale levensduur
hebben van ca. 22000 uren. Voor het aflopen van de levensduur,
minstens 22000 uren, wordt vervanging van de kogellagers
geadviseerd. Bij onderbroken bedrijf/permanent gebruik van 24 uur per
dag mag de bedrijfstijd van 30 maanden niet overschreden worden.
5 Onderhoud
L1 L2 L3
(L3) (L1)
schakeling
(lage spanning)
L1 L2 L3
(L3) (L1)
-schakeling
(hogespanning)
☛
5 10152025303540455055
300 600 900 1200 1500 1800 2100 2400 2700 3000 3300
Luchtopbrengst V
.
dB(A)
Geluids-
niveau L
A
95
90
85
80
RD 65 50 Hz
m
3
/min
m
3
/h
5 10152025303540455055
300 600 900 1200 1500 1800 2100 2400 2700 3000 3300
Luchtopbrengst V
.
dB(A)
Geluids-
niveau L
A
95
90
85
80
RD 65 60 Hz
m
3
/min
m
3
/h
● Voor voldoende motorventilatie zorgen.
Toelaatbare omgevingstemperaturen:
Standaardmotoren –20° tot +60°C:
met een aan de diverse netten aangepaste toelaatbare
spanning (max. ±10 % spanningstolerantie) en een aange-
paste frequentie van 50 Hz of 60 Hz
Speciale motoren –20° tot +40°C:
meerspanningsbereik (50 Hz en/of 60 Hz)
FU-/FUK-serie, UL approbation