9
de stand «LICHTEN AAN» te zetten.
4.4 HANDREM (Afb. 4.1 n.4)
«A
«B
ingetrapt en de hendel in stand «B» gezet te
-
4.5 COMMANDO VOOR INSCHAKELING
EN REM VAN DE SNIJ-INRICHTINGEN
(Afb. 4.1 n.5)
-
«A
«B
-
-
4.6 REGELAAR MAAIHOOGTE
(Afb. 4.1 n.6)
-
4.7 TOETS TOELATING SNIJDEN BIJ
ACHTERUITVERSNELLING
(Afb. 4.1 n.7)
Mechanische aandrijving
4.21 KOPPELINGS-/REMPEDAAL
(afb. 4.2 n.21)
het intrappen van het eerste gedeelte dient
BELANGRIJK U moet bijzonder goed op-
letten dat u tijdens de koppelingsfase niet
te lang aarzelt om oververhitting en, als ge-
volg daarvan, beschadiging van de overbren-
gingsriem te vermijden.
OPMERKING Tijdens het rijden is het ver-
standig uw voet niet op dit pedaal te laten
rusten.
4.22 VERSNELLINGSPOOK
(Afb. 4.2 n.22)
-
«N» en de achteruitrijdversnelling «R».
gegevens die op het plaatje staan in de ge-
LET OP! Het inschakelen van de
achteruitversnelling dient uitgevoerd te
worden als de machine stilstaat.
Hydrostatische aandrijving
4.31 REMPEDAAL (Afb. 4.3 n.31)