- 21 -
NL
OPGELET: VOORDAT MEN DE
BATTERIJLADER GEBRUIKT, AANDACHTIG DE
INSTRUCTIEHANDLEIDING LEZEN
1. ALGEMENE VEILIGHEID VOOR HET GEBRUIK
- Hetcontactmethetzuurvandebatterijvermijden.
Ingeval men bespat wordt door of in contact komt
met het zuur, het betrokken gedeelte onmiddellijk
spoelenmetzuiverwater.Verderblijvenspoelentot
de aankomst van de arts.
- Tijdenshetopladenlatendebatterijenexplosiefgas
vrij,vermijddaterzichvlammenenvonkenvormen.
NIET ROKEN.
- De op te laden batterijen op een verluchte plaats
zetten.
- Deogenbeschermen.Altijdeenbeschermendebril
dragen wanneer men werkt met accu’s met zuur
lood.
- Zich op een gepaste manier kleden. Geen brede
kleren of juwelen dragen die in de beweeglijke
gedeelten kunnen verstrikt geraken. Tijdens
de werken raadt men het dragen van elektrisch
geïsoleerde beschermende kledij en antislip
schoenen aan. Voor wie lang haar heeft, een alles
omvattend hoofddeksel dragen.
- De niet ervaren personen moeten op een adequate
manier opgeleid worden voordat ze het toestel
gebruiken.
- De personen (kinderen inbegrepen) waarvan de
lichamelijke, zintuiglijke en mentale capaciteiten
onvoldoendezijnvooreencorrectgebruikvanhet
toestel moeten onder het toezicht staan van een
persoondieverantwoordelijkisvoorhunveiligheid
tijdenshetgebruikervan.
- De kinderen moeten onder toezicht staan om er
zekervantezijndatzenietmethettoestelspelen.
- De batterijlader uitsluitend binnen gebruiken
en werken in goed verluchte ruimten: NIET
BLOOTSTELLENAANREGENOFSNEEUW.
- De voedingskabel loskoppelen van het net voordat
de kabels voor het opladen worden aangesloten op
oflosgekoppeldvandebatterij.
- De tangen niet aansluiten op of loskoppelen van de
batterijmetdebatterijladerinwerking.
- De batterijlader geenszins gebruiken binnen in de
auto of in de motorkap.
- De voedingskabel alleen vervangen met een
originele kabel.
- Debatterijladernietgebruikenomnietheroplaadbare
batterijenterugopteladen.
- Veriëren of de beschikbare voedingsspanning
overeenstemt met diegene die aangeduid staat op
deplaatmetdegegevensvandebatterijlader.
- Om de elektronica van de voertuigen niet te
beschadigen, de waarschuwingen geleverd door de
fabrikanten van de voertuigen of van de gebruikte
batterijstriktopvolgen.
- Deze batterijlader bevat componenten, zoals
schakelaars of relais, die bogen of vonken kunnen
veroorzaken;bijgevolg,indiendebatterijladerineen
garageofineensoortgelijkeruimtewordtgebruikt,
moet men hem in een lokaal of in een omgeving
plaatsen die speciaal voor dit doel bestemd is.
- Ingrepen van herstellingen of onderhoud aan de
binnenkant van de batterijlader mogen alleen
uitgevoerd worden door personeel met ervaring.
- OPGELET: DE VOEDINGSKABEL ALTIJD
LOSKOPPELEN VAN HET NET VOORDAT
MEN GELIJK WELKE INGREEP VAN GEWOON
ONDERHOUD VAN DE BATTERIJLADER UITVOERT,
GEVAAR!
- De batterijlader is beschermd tegen indirecte
contacten middels een aardegeleider zoals wordt
voorgeschreven voor de toestellen van klasse I.
Controleren of het contact voorzien is van een
beschermende aardeaansluiting.
- Sluit bij modellen die deze niet hebben stekkers
met het juiste vermogen aan, niet minder dan de
waarde van de zekering die staat aangegeven op het
serieplaatje.
- ApparatuurvanklasseA:
Deze acculader voldoet aan de vereisten van de
technische standaard van het gebruikte product
in een industriële omgeving en voor professionele
doeleinden. Er wordt niet gegarandeerd dat het product
voldoet aan de elektromagnetische compatibiliteit in
huizeneningebouwendiedirectzijnaangeslotenop
eenvoedingsnetmetlaagspanningvoorhuishoudelijk
gebruik.
2. ALGEMENE BESCHRIJVING
Acculader voor het opladen van loodaccu’s WET, GEL,
AGM, PbCa, gebruikt in motorvoertuigen (benzine en
diesel) en elektrische voertuigen: auto’s, motorvoertuigen,
motoren, boten, enz. Er kunnen accu’s worden opgeladen
van 6V, 12V, 24V; het model 50 heeft ook de starthulpmodus
(alleen voor voertuigen met benzine- en dieselmotor).
Accumulators oplaadbaar in functie van de beschikbare
spanning van uitgang: 6V / 3 cellen; 12V / 6 cellen; 24V
/ 12 cellen.
3. INSTALLATIE
3.1 PLAATS VAN DE ACCULADER
Zorg er tijdens de werking voor dat de acculader stabiel
staat en controleer of de lucht vrij door de luchtopeningen
kan stromen zodat er voldoende ventilatie is.
3.2 AANSLUITEN OP HET ELEKTRICITEITSNET
- De acculader mag uitsluitend worden aangesloten
op een voedingssysteem waarvan de nulgeleider is
aangesloten op de aarde.
- Controleer of de spanning van het elektriciteitsnet
overeenkomt met de werkingsspanning van de
acculader die op het serieplaatje staat.
- De voedingslijn moet voorzien zijn van
beschermingssystemen, zoals zekeringen of
automatische onderbrekers, die voldoende zijn voor het
opnamemaximum van het apparaat.
- De acculader moet op het elektriciteitsnet worden
aangesloten met de speciale voedingskabel.
- Eventuele verlengingen van de voedingskabel moeten
een voldoende doorsnede hebben en mogen nooit
dunner zijn dan de voedingskabel van het apparaat.
- Het is altijd verplicht om het apparaat te aarden met de
geel-groene geleider van de voedingskabel, waarop
het etiket (
) staat, terwijl de andere twee geleiders
moeten worden aangesloten op fase en neutraal van het
Documentatie kan worden gedownload in PDFformaat op
het volgende adres: www.telwin.com/usermanual