EasyManua.ls Logo

APA 16623 - De Acculader Aansluiten; De Acculader Instellen; De Acculader Verwijderen; Gebruik als Starthulp Voor 12 V - Voertuigen

APA 16623
Print Icon
To Next Page IconTo Next Page
To Next Page IconTo Next Page
To Previous Page IconTo Previous Page
To Previous Page IconTo Previous Page
Loading...
25
6.2.2 De acculader aansluiten
Let op: De stekker van de acculader mag niet in het stopcontact zitten, controleer dit. Sluit altijd eerst de
rode pluskabel (+) van de acculader op de pluspool van de accu aan. Sluit daarna de zwarte massakabel
(-) op de minpool van de accu aan. Als u de accu in de ingebouwde staat oplaadt, sluit u de zwarte minka-
bel (-) op de carrosserie (blank gedeelte) aan, zover mogelijk uit de buurt van de accu, carburateur en brandstoei-
dingen. Houd altijd deze volgorde aan.
Steek nu de netstekker in het stopcontact.
Let op: Als het rode controlelampje ‚Revers‘ (positie 3.5 in het overzicht) brandt, zijn de laadkabels verke-
erd om aangesloten. Verwijder de accuklemmen van de accupolen en sluit ze correct aan
Let op: Als het rode controlelampje ‚Fout‘ (positie 3.4 in het overzicht) brandt, controleert u of de combi-
natie van het ingestelde laadprogramma en de aangesloten accu correct is. Controleer of de accu defect is.
6.2.3 De acculader instellen
Stel eerst op het bedieningsveld functiekeuze (positie 4 in het overzicht) met de keuzeschakelaar voor de bedri-
jfsmodus (positie 4.3 in het overzicht) de spanning voor de accu in, 6V of 12V. Kies vervolgens met de schakelaar
voor accutype (positie 4.2 in het overzicht) het voor u geschikte type accu. Met de keuzeschakelaar voor laadstroom
(positie 4.1 in het overzicht) stelt u de juiste laadstroom in.
6.2.4 Het opladen
U start het laadproces door op de Start/Stop-knop (positie 6 in het overzicht) te drukken. In het controleveld voor de
bedrijfstoestand (positie 3 in het overzicht) brandt het controlelampje ‚Laden‘ (positie 3.1 in het overzicht). Als het
controlelampje ‚Reparatie‘ (positie 3.3 in het overzicht) brandt, voert de lader een programma voor desulfatering uit.
Met de keuzeknop voor het display (positie 2.4 in het overzicht) kunt u de weergave tussen laadspanning, laad-
stroom en laadvoortgang instellen.
Met het controlelampje ‚Vol‘ (positie 3.2 in het overzicht) wordt aangegeven dat de accu geheel is opgeladen en dat
de acculader naar de onderhoudsmodus is overgeschakeld.
6.2.5 De acculader verwijderen
Druk op de Start/Stop-knop om het laadproces te beëindigen.
Let op: Trek eerst de stekker uit het stopcontact en neem bij het losmaken van de klemmen de volgorde
in acht. Zo voorkomt u vonkvorming. Omdat tijdens het opladen uiterst explosief knalgas ontstaat, is dit
zeer belangrijk voor uw veiligheid.
Trek de stekker van de acculader uit het stopcontact.
Maak vervolgens de zwarte klem (min) los. Maak daarna de rode klem (pluspool) los.
Laat de accu afkoelen en vul de cellen bij met gedestilleerd water tot aan het door de accufabrikant opgegeven
vulpeil. Sluit de accucellen weer af met de doppen.
6.3 Gebruik als starthulp voor 12 V - voertuigen
6.3.1 De acculader aansluiten
Let op: De stekker van de acculader mag niet in het stopcontact zitten, controleer dit. Sluit altijd eerst de
rode pluskabel (+) van de acculader op de pluspool van de accu aan. Daarna sluit u de zwarte minkabel
(-) op de carrosserie (blank gedeelte) aan, zover mogelijk uit de buurt van de accu, carburateur en brand-
stoeidingen. Houd altijd deze volgorde aan.
Sluit nu de acculader aan op het stopcontact.
6.3.2 De acculader instellen
Stel eerst op het bedieningsveld functiekeuze (positie 4 in het overzicht) met de keuzeschakelaar voor de bedrijfs-
modus (positie 4.3 in het overzicht) de functie Starthulp 100 A in.

Table of Contents

Related product manuals