120 121
Stap 4: luchtbevochtiger inschakelen
1. Steek de netstekker in een geschikt stopcontact. Zorg ervoor dat het
netsnoer geen struikelgevaar vormt.
2.
Druk op de AAN/UIT-toets
10
om de luchtbevochtiger in te schakelen.
Bij de eerste ingebruikname staat de luchtbevochtiger standaard op de
AUTO-modus (zie hoofdstuk “7.3 Ventilatorsnelheid/modus instellen”).
Op het display
11
wordt na enkele seconden de huidige relatieve
luchtvochtigheid van de ruimte weergegeven.
3.
Zodra het water in de watertank op is, wordt de luchtbevochtiger
automatisch uitgeschakeld en gaat de watertankindicator
20
op het
bedieningspaneel branden. Als de watertank leeg is, worden er geen
luchtvochtigheidswaarden weergegeven. Vul de watertank
8
nu op-
nieuw met water of schakel indien gewenst de filterdroogfunctie (zie
hoofdstuk ‘8.1 Filterdroogfunctie’) in.
Stap 5: extra functie instellen
U kunt nu optioneel de volgende functies instellen:
Doelluchtvochtigheid, ventilatorsnelheid/modus en timerfunctie.
Meer informatie over de afzonderlijke functies vindt u in de hoofdstuk
-
ken 7.2 tot en met 7.4.
Stap 6: na het gebruik
1. Trek na elk gebruik de netstekker uit het stopcontact.
2.
Giet eventueel aanwezig resterend water uit de watertank
8
. Laat
geen water in de watertank
8
staan als het apparaat niet wordt ge-
bruikt.
3. Laat het filter
4
aan de lucht drogen als het apparaat niet in gebruik
is of gebruik van tijd tot tijd de droogfilterfunctie na gebruik (zie hoofd-
stuk “8.1 Filterdroogfunctie”).
Als u de luchtbevochtiger ergens anders wilt plaatsen, trekt u
de netstekker uit het stopcontact en giet u de watertank
8
leeg om overlopen te voorkomen. Zorg er bij het dragen van de
luchtbevochtiger voor dat u het apparaat met beide handen
onder bij de watertank
8
vasthoudt.