L011-51-02 (Rev. B0, 2020-07-28) 23
Nederlands
Opmerkingen
• Wij bevelen het gebruik van een stroomversterker met hoge impedantie en lage lekkage aan,
die speciaal voor gebruik met microelektroden is bestemd.
• Wij bevelen het gebruik van geïsoleerde stimulatoren aan, die met een verklikker voor de
opgelegde limiet zijn uitgerust.
• Als de gebruiksaanwijzingen worden nageleefd, worden microTargeting™ elektroden op de
juiste manier geïnstalleerd en functioneren zij correct en veilig.
• De geleidingskabels van elektroden moeten passend aansluitbaar zijn op mannelijke
micro-elektrodepennen met een diameter van 0,8 ± 0,04 mm.
• microTargeting™ penconnectors hebben een diameter van 0,8 mm ± 0,04 mm en een paslengte van 4
mm ± 1 mm.
WAARSCHUWINGEN
• Uitsluitend op voorschrift: Let op – Krachtens de federale wetgeving (van de VS) mag dit
hulpmiddel uitsluitend door of op voorschrift van een arts worden verkocht.
• Patiënten met een intracraniaal aangebrachte microTargeting™ elektrode mogen niet worden
blootgesteld aan de elektromagnetische velden die bij magnetische resonantie-beeldvorming (MRI)
ontstaan. Het gebruik van intraoperatieve MRI kan leiden tot verwarming en beweging of in de
microTargeting™ elektrode verwekte voltages.
• Als een patiënt met elektroshock moet worden gedefibrilleerd, moet de microTargeting™ elektrode vóór
defibrillatie worden verwijderd.
• Bij gebruik van gedifferentieerde elektroden voor macrostimulering kan een overmatige
stimulusstroom het weefsel beschadigen. Daarom mag de amplitude van de stimulus nooit de
aanbevolen richtlijnen overschrijden die door de fabrikant van de stimulusgenerator zijn verschaft.
Gebalanceerde, tweefasige vierkante pulsen met de volgende parameters worden aanbevolen:
Frequentie ≤ 300 Hz
Pulsduur 100-200 µs
Treinduur ≤ 5 s.
Elektro-amplitude ≤ 10mA
• Bij gebruik van gedifferentieerde elektroden voor macrostimulering MOET het referentiepunt van de
stimulator van de aarde en/of de aarding van de patiënt geïsoleerd zijn, anders kunnen ongewenste
stroombanen ontstaan.
• Om het gevaar van elektrische schok te voorkomen mag de microTargeting™ elektroden NIET op een
willekeurige lijnvoltagebron of een onbekende stroombron worden aangesloten.
• Er moet uiterste omzichtigheid worden betracht bij het hanteren van de microTargeting™ elektroden.
De punten zijn uiterst klein en broos.
• De elektrode mag niet meer dan 3 cm in de buitenbuis worden teruggetrokken, anders kan de punt
schade oplopen.
• Hergebruik van medische hulpmiddelen voor eenmalig gebruik kan ernstig letsel van patiënten tot
gevolg hebben.
• Bij micro-elektrodetracering (MER, MicroElectrode Recording) wordt gebruikgemaakt van steriele metalen
sondes die peroperatief in de hersenen worden ingebracht. Deze toepassing kan bloeding veroorzaken
met een gemeten bijwerkingenincidentie van 1-2%.
• De in deze gebruiksaanwijzing vermelde producten moeten door geschoolde medewerkers worden
gebruikt.
• Niet-passende kabelaansluitingen kunnen onjuiste uitwerkingen tot gevolg hebben, zoals onbedoelde
stimulatie via metalen contactpunten in de hersenen.
Gebruiksaanwijzing
1. Voorzichtigheid is te allen tijde geboden om te verzekeren dat de punt van de microTargeting™
elektrode geen schade oploopt. Voordat de microTargeting™ elektroden uit de verpakking worden
genomen, trekt u aan de zwart gekleurde pen bovenaan de elektrode om de punt
van de micro-elektrode ongeveer 1 cm in de macrobuisc te trekken. Dit zal schade aan de
punt voorkomen.
2. Inserteer de microTargeting™ elektrode met teruggetrokken tip in het inbrengbuisje. Wanneer de
elektrode zich ca. 3 cm boven de elektrodedrager bevindt, moet u de micro-elektrode met behulp van
de zwarte pen omlaag duwen, zodat de tip van de micro-elektrode uit de macrobuis steekt. Breng de
elektrode tot de beoogde diepte omlaag. Nauwkeurige positionering op het doel is niet mogelijk zonder
gebruik van een geschikt stereotactisch inbrengbuisje en een aandrijfsysteem dat precieze bewegingen
kan maken (stereotactisch inbrengbuisje en aandrijfsysteem niet bijgeleverd).
3. Bevestig de geleidingsdraden aan de patiënt.
4. Voer de elektrode zo nodig op totdat de tip van de micro-elektrode uit het inbrengbuisje te voorschijn
komt.
5. Meet de impedantie van de elektrode, om te controleren of de micro-elektrode onbeschadigd is en of de
geleidingsdraden goed op de patiënt zijn aangesloten. Opmerking: de in vivo gemeten impedantie moet
lager zijn dan de nominale impedantie volgens de specificaties. Staak het werken met de microTargeting-
elektrode als het resultaat van de impedantiemeting hoger of lager is dan de aanvaardbare waarden.
6. Voer de microTargeting™ elektrode op via het geplande traject. Monitor de neurale activiteit die wordt
gemeten, zodat u de diepte van de doellocatie kunt bepalen. U kunt de kwaliteit van de registratie
maximaliseren door de registratieparameters aan te passen en door ruisreductieprocedures uit te voeren.
7. Om vanuit het macrocontact van de elektrode macrostimulatie uit te voeren moet de
uitgangsleiding van de stimulator worden aangesloten op de grijs/rood gekleurde pin tegenover
de zijkant van de elektrode. De standaarduitgang van de stimulator kan worden aangesloten op het
inbrengbuisje of op een ander geschikt referentiepunt bij de patiënt. Sluit de stimulator NIET aan op het
zwart gekleurde microcontact van de elektrode. Stel de stimulusparameters af volgens de aanbevelingen
in het gedeelte WAARSCHUWINGEN van deze brochure. Bij inwerkingtreding van de compliantielimiet-
waarschuwingsindicator van het micro-elektrode-stimulussysteem mag u het gebruik van de micro-
elektrode NIET voortzetten.
8. Als u geen geschikte doellocatie kunt vinden, worden soms extra trajecten aangegeven. Het terugtrekken
van de elektrode gaat als volgt: koppel eerst de patiënt-geleidedraden los, trek vervolgens de micro-
elektrodetip omhoog in de macrobuis en trek ten slotte de gehele microTargeting™ elektrode uit het
inbrengbuisje.
9. Na gebruik moeten de microTargeting™ elektroden overeenkomstig het ziekenhuisprotocol in een
goedgekeurde container voor scherp afval worden geplaatst.