EasyManua.ls Logo

Cardin EVO2000 - Page 48

Cardin EVO2000
Print Icon
To Next Page IconTo Next Page
To Next Page IconTo Next Page
To Previous Page IconTo Previous Page
To Previous Page IconTo Previous Page
Loading...
NLNL
BEVESTIGING VAN DE REDUCTIEMOTOR EN DE TANDHEUGEL
Bepaal de positie van de motor op basis van het type installatie, rechts (r) of links (l) afb. C
Er dient een minimumafstand tussen de motorbasis en het uiteinde van de tandheugel te worden aangehouden. Bij rechtse montage (r)
moet de motor minimaal 20 mm inspringen om de magnetische eindaanslag te kunnen installeren.
Alvorens de plaat vast te zetten, u ervan verzekeren dat:
- het oppervlak recht is en dat de consistentie ervan een goede bevestiging toelaat.
- de elektriciteitskabels aan de juiste kant zijn doorgevoerd (afb. D)
- de basis loodrecht is ten opzichte van de lijn van beweging (afb. D)
- de afstand van de vleugel zodanig is dat de pignon gecentreerd kan worden ten opzichte van de tandheugel (afb. D)
- de hoogte een correcte koppeling tussen pignon en tandheugel toelaat
- de handelingen voor ontgrendeling van de vleugel geen belemmering ondervinden (afb. D)
Als het steunvlak zich op de juiste hoogte bevindt en stevig genoeg is, kan de plaat met 4 spreidpluggen of chemische pluggen vastgezet
worden.
Voor nieuwe installaties waar een stevige fundering ontbreekt kunnen de 4 meegeleverde ankers gebruikt worden verzonken in het
beton zoals beschreven in fig. E.
Zet de aandrijfmotor op de plaat en zet hem op de vier punten vast. De sleufgaten maken eventuele horizontale correcties mogelijk;
maak indien nodig gebruik van de 4 stiften (onderdeel nr. 6 op fig. A) om de hoogte en/of de vlakke stand van de motor te corrigeren.
Voor de details m.b.t. de bevestiging van de tandheugel dienen de aanwijzingen van de fabrikant te worden gevolgd, over het algemeen
raden we het volgende aan:
- de tandheugel moet een “module” M4 hebben en over dusdanige kenmerken beschikken dat hij het gewicht van de vleugel kan dragen.
- de verbindingen mogen geen schokken in de beweging veroorzaken.
- zet een stuk tandheugel provisorisch vast met klemmen (afb. F) wanneer het moeilijk blijkt te zijn om de “pas” in de verbindingen te
regelen.
- sommige modellen tandheugels kunnen worden gemonteerd met schroeven via langwerpige gaten, in dergelijke gevallen is het nuttig
de regelmarge te verdelen door de schroef in het midden van de sleuf te plaatsen.
Let op! Het is van fundamenteel belang dat de pignon en de tandheugel op de juiste wijze worden gekoppeld.
Ze moeten zoveel mogelijk gecentreerd zijn en er dient bovendien altijd een minimale speling te zijn die overmatige belasting
van de pignon voorkomt. Ontgrendel de motor en controleer of de beweging over de gehele slag regelmatig verloopt. Indien de
slijtage van de structuur verzakkingen heeft veroorzaakt die moeilijk te compenseren zijn, wordt aanbevolen de onderdelen te
laten reviseren.
Na afloop van alle afstellingen en controles de 4 schroeven stevig vtdraaien en de afdekkingen (det. 5) installeren.
3. Installeer de bedieningsinrichtingen (bijvoorbeeld de sleutelschakelaar) zodanig dat de gebruiker zich niet in een gevarenzone
bevindt.
4. Breng op de automatisering het etiket of CE-plaatje met informatie over de gevaren en de identificatiegegevens aan.
5. Overhandig de gebruiksaanwijzingen, de veiligheidsvoorschriften en de EG-verklaring van overeenstemming aan de eindgebruiker.
6. Verzeker u ervan dat de gebruiker goed heeft begrepen hoe de correcte werking van de automatisering in automatische modus,
handbediende modus en bij noodgevallen is.
7. Na afloop van de installatie dient u de veiligheidsinrichtingen, signaleringen en ontgrendelingssystemen van de automatisering
meerdere malen te testen.
8. Stel de gebruiker schriftelijk (bijvoorbeeld in de gebruiksaanwijzingen) op de hoogte van:
a. De eventuele aanwezigheid van restrisico's die niet beveiligd kunnen worden en voorzienbaar oneigenlijk gebruik.
b. De noodzaak om de stroomtoevoer uit te schakelen alvorens de vleugel te deblokkeren of bij het uitvoeren van klein onderhoud of
reinigingswerkzaamheden in de buurt van de automatisering.
c. De noodzaak om vaak te controleren of er geen zichtbare schade aan de automatisering is en in het geval er schade wordt
vastgesteld, onmiddellijk de installateur te waarschuwen.
d. Het feit dat het verboden is kinderen in de onmiddellijke nabijheid van de automatisering te laten spelen
e. Het feit dat radiobedieningen en andere bedieningsinrichtingen buiten bereik van kinderen dienen te worden gehouden.
9. Stel een onderhoudsschema voor de installatie op (minstens eens per 6 maanden) en noteer de uitgevoerde
onderhoudswerkzaamheden in een speciaal register.
47 48
MAGNETISCHE EINDAANSLAGEN (afb. G)
Deze reductiemotoren zijn uitgerust met twee beugels met magneet (det. 17 afb A) en bijbehorende sensor die boven de pignon is
geplaatst (det. 2 afb A).
Let op! De twee magneten zijn geassembleerd met de beugel zodat ze door de elektronische centrale herkend worden. Als één van de
twee magneten wordt gedemonteerd of verwisseld, kan dit een nadelige uitwerking hebben op de programmering en/of de werking.
Monteer de blokkeerstiften en veranker, provisorisch en tegenover elkaar, de twee beugels aan de uiteinden van de tandheugel (afb. G).
Voer een reeks controles uit met ontgrendelde motor, waarbij u de vleugel met de hand beweegt:
- met de vleugel gesloten moet de magneet zich tegenover de sensor bevinden
- open de vleugel en controleer dezelfde situatie met de openingsmagneet.
- de afstand tussen magneet en sensor mag niet meer dan 10 mm bedragen (afb. H)
- de activering van de magnetische eindaanslag mag niet plaatsvinden bij de mechanische aanslagen, maar dient minstens 10 mm
eerder te gebeuren.
De beugels van de eindaanslagen nog niet definitief vastzetten, maar wachten tot de eerste werkingsproeven zijn uitgevoerd. De
snelheid van de motor of de inertie van de vleugel maken mogelijk een correctie van de posities noodzakelijk.
Let op! Het gebruik van magnetische of elektrische eindaanslagen mag geen vervanging vormen van de installatie en het onderhoud van
de mechanische eindaanslagen voor het stoppen van de vleugel. Deze eindaanslagen dienen de maximale slag van de vleugel in iedere
willekeurige situatie te beperken.
PROCEDURES VOOR DEBLOKKERING EN BLOKKERING VAN DE
REDUCTIEMOTOR
Deze twee handelingen zijn alleen nodig in geval van storingen of uitval van de stroomtoevoer, de gebruiker of het verantwoordelijke
personeel dient te worden geïnstrueerd door de installateur die een kopie van deze instructies moet overhandigen, die zorgvuldig bij de
deblokkeersleutel moet worden bewaard.
Alvorens één van deze procedures uit te voeren, dient u zich ervan te verzekeren dat de stroomtoevoer naar de complete
automatisering is uitgeschakeld, ook indien de stroom is uitgevallen.
DEBLOKKERING: 1) steek de sleutel in en draai hem rechtsom 2) trek de hendel in een hoek van circa 90° 3) de motor is gedeblokkeerd
en de poort kan met de hand verplaatst worden. Om de poort geblokkeerd te houden, voert u onderstaande procedure uit.
BLOKKERING: 4) sluit de hendel 5) draai de veiligheidssleutel linksom, de reductiemotor is geblokkeerd en de poort kan alleen
elektrisch worden verplaatst.
ELEKTRONISCHE BESTURINGSEENHEID BESCHRIJVING VAN DE ONDERDELEN (Abb. I)
1) Klemmenbord primaire aansluiting transformator
2) Transformator mod. RTRA230V10VACAB1
3) Zekering 24 V 0,3 A
4) Klemmenbord secundaire aansluiting transformator
5) Klemmenbord aansluiting eindschakelaar
6) Knop STOP/PROG voor Programmering en Stop*
7) Knop P/P Stap-voor-stap
8) Trimmer voor het afstellen van de kracht van de motor
9) Jumper Jp1 (uitsluiten van afstelling van de kracht van de
motor en soft-start)
10) Connector voor ontvanger serie OC2
11) Dip-schakelaar functies
12) Jumper TEST
13) Connector encoder
14) Klemmenbord aansluitingen op laagspanning 24V
15) Reset besturingseenheid. Het eventjes in kortsluiting
brengen van de 2 pins komt overeen met het
ontkoppelen en aankoppelen van de spanning.
16) Signaleringleds voor de ingangen op het
klemmenbord. Led brandt = ingang gesloten
17) Led Programmering (L1)
18) Connector voor de module elektrische slot
19) Klemmenbord aansluitingen op 230 V
20) Klemmenbord ingang netspanning
21) Zekering lijn 6,3 A
22) Klemmenbord aansluiting motor en condensator
* Deze STOP knop moet niet als veiligheidsknop worden beschouwd, maar dient alleen om tijdens het installeren de
tests gemakkelijker uit te voeren.
ENCODER
De besturingseenheid is voorzien van een ingang voor de encoder. Dankzij deze inrichting is het mogelijk een nauwkeurige afstelling
van de beweging van de poort te verkrijgen; de obstakeldetectie is hiermee gegarandeerd voor de gehele loop van de poort,
snelheidsverminderingen inbegrepen. Bij het programmeren van de loop van de poort bevestigt het knipperende ledlampje L1 dat
de besturingseenheid de aanwezigheid van de encoder heeft vastgesteld. Wanneer het ledje L1 daarentegen onafgebroken brandt
geeft het aan dat de besturingseenheid niet met de encoder functioneert.
GEBRUIK ONTVANGER OC2
De aanwijzingen voor werking en programmering van de ontvanger serie OC2 vindt u in de aanwijzingen van de ontvanger.
U dien eraan te denken dat het kanaal 1 van de ontvanger altijd overeenkomt met de instructie stap-voor-stap (P/P) van de
besturingseenheid en het kanaal 2 met de voetgangersopening.
FOTO TEST
Om ervoor te zorgen dat de fototest functioneert moet de installatie voorzien zijn van twee voedingslijnen voor de fotocellen, de
eerste moet aangesloten zijn op de klemmen 10 en 11 die de ontvangers van stroom voorziet en de tweede op de klemmen 12 en 13
die de zenders van stroom voorziet (de fototest moet geactiveerd worden door de dipschakelaar nr. 7 op de stand ON te zetten). De
besturingskast controleert of de fotocellen goed functioneren door aan elk begin van een beweging het inschakelen ervan te
simuleren. Als alles in orde is start de motor en begint de beweging. Als er problemen aan de ontvanger zijn dan stopt de cyclus en dit
wordt gesignaleerd doordat het controlelampje poort open een paar keer knippert.
- De fototest functioneert ook met fotocel 2 (ingang Jolly).
- Als de fototest geactiveerd is en de besturingskast in stand-by staat krijgen de zenders van de fotocellen geen stroom toegevoerd
en is de ingang FT1 open (led uit). In deze toestand kan de werking van de fotocellen eveneens gecontroleerd worden door de test
jumper (det. 12 fig. 1) kort te sluiten.
1 2 3
4 5

Related product manuals