4445103618 111
Ongebruikelijk lange
laadtijd. De gele
„Batt. II”-led knippert.
De rode aan/uit-led
knippert langzaam.
Laagspanningsbeveiliging van de star-
taccu. Accuspanning te laag (> ingestelde
waarde voor „laadvermogen verhogen”,
zie hoofdstuk „Modus instellen” op
pagina 108). De laadbooster schakelt naar
gereduceerde laadstroom (< 30%) om de
accu te beschermen.
De laadbooster keert automatisch terug
naar de volledige laadstroom wanneer de
spanning stijgt tot de herstartwaarde (inge-
stelde waarde voor „reductie van laadver-
mogen”, zie hoofdstuk „Modus instellen”
op pagina 108).
De laadbooster stopt
het laadproces. De rode
aan/uit-led knippert.
Uitschakeling door veiligheidstimer. De I-
fase heeft te lang geduurd (> 15 uur).
➤ Reset het toestel door het regelsignaal
op D+ te verwijderen. Schakel de
motor uit en koppel het toestel los van
het elektriciteitsnet.
Te veel gelijkstroomverbruikers aangeslo-
ten.
➤ Verminder de aangesloten
gelijkstroomverbruikers.
De accu is defect.
➤ Vervang de accu.
Oververhitting van de laadbooster. De laadbooster start automatisch opnieuw
op wanneer de temperatuur daalt.
De volledige laad-
stroom wordt niet
bereikt. De rode
aan/uit-led brandt.
De thuisaccu is al opgeladen.
➤ Belasting met krachtige verbruikers.
De sensorkabels zijn omgekeerd.
➤ Controleer de aansluitingen bij START
(VS–/VS+) en BORD (VB–/VB+).
De laadstroom is niet correct ingesteld.
➤ Controleer de instelling van de laad-
stroom (zie hoofdstuk „De laadstroom
aanpassen” op pagina 107).
De accu is sterk gesulfateerd.
➤ Vervang de accu.
De volledige laad-
stroom wordt niet
bereikt. De „Batt. II”-led
knippert.
Spanning op START+ < 11 V.
➤ Controleer de spanning op START+.
Verhoog het motortoerental zodat de
versterker kan regelen.
De accuklemmen zijn niet correct verbon-
den.
➤ Controleer de verbindingen.
➤ Controleer de kabeldoorsneden en -
lengtes (zie hoofdstuk „Kabeldoor-
snede bepalen” op pagina 104).
➤ Controleer de gestripte kabeluiteinden.
➤ Controleer de spanningen direct aan de
klemcontacten.
Verborgen uitschakelrelais aanwezig (bijv.
in het centrale elektrische systeem).
➤ Pas de aansluitvariant aan voor voertui-
gen met een bestaand scheidingsrelais.
DIP-switch is ingesteld op „OUT Limit”
(UIT-limiet).
➤ Controleer de stand van de DIP-schake-
laar (zie hoofdstuk „Het stroomverbruik
beperken” op pagina 108).
Fout Mogelijke oorzaak Voorgestelde oplossing