91
BENL
door ons gevolmachtigd servicepunt.
16. Schakel de motor altd eerst uit voor-
dat u instellingen of onderhoudswerk-
zaamheden uitvoert. Dit geldt met
name voor werkzaamheden aan de
draadspoel.
17. Gebruik uitsluitend goedge-
keurde delen. Gebruik voor onder-
houd en reparatie uitsluitend identieke
onderdelen. Reserveonderdelen zn
verkrgbaar via onze online shop (zie
„Reserveonderdelen/toebehoren”).
Waarschuwing! Het gebruik
van andere maaikoppen, ac-
cessoires of opbouwdelen
die niet uitdrukkelk worden
aanbevolen, kan personen en
objecten in gevaar brengen.
Het gereedschap mag alleen
worden gebruikt voor werk-
zaamheden waarvoor het be-
doeld is. Ieder ander gebruik
wordt als onjuist beschouwd.
Voor schade aan voorwer-
pen of letsel als gevolg van
onjuist gebruik is alleen de
gebruiker verantwoordelk,
in dit geval kan de fabrikant
absoluut niet aansprakelk
worden gesteld.
De fabrikant kan niet aan-
sprakelk worden gesteld
voor schade als gevolg van
gewzigde machines of onjuist
gebruik van zn machines.
Let op! Ook als het gereedschap
wel juist wordt gebruikt blft een
bepaald risico aanwezig. Uit de
aard en constructie van het gereed-
schap kunnen de volgende potenti-
ele risico’s worden afgeleid:
• Contact met een onbeschermde
draadspoel (snwonden).
• Grpen in de lopende draadspoel
(snwonden).
• Schade aan het gehoor, als geen ge-
schikte bescherming wordt gedragen.
• Ontwikkeling van schadelke stoffen en
gassen als het apparaat wordt gebruikt
in gesloten ruimtes (misselkheid).
Aanvullende
veiligheidsvoorschriften
Om lichamelke letsels en materië-
le schade te vermden:
1. Let op! Houd handen en voeten telkens
buiten bereik van het maaigebied, ook
tdens het starten van het apparaat.
Houd de hand op de extra handgreep
steeds vr.
2. Houd het apparaat altd vast
met de handen op de multifunc-
tionele handgrepen.
Houdt het apparaat altd op veilige
afstand van uw lichaam en zorg dat u
stabiel en stevig staat.
3. Draag altd een veiligheidsbril.
4. Gebruik het apparaat alleen b vol-
doende daglicht of b voldoende
kunstlicht.
5. Gebruik het apparaat niet in de regen
of voor nat gras.
6. Controleer het apparaat altd voor ge-
bruik of na stoten op eventuele bescha-
digingen. Repareer beschadigingen
indien noodzakelk.
7. Gebruik het apparaat niet als de veilig-
heidsvoorzieningen beschadigd zn
of niet juist zn aangebracht.
8. Wees er telkens zeker van dat de
ventilatieopeningen van de motor, de
beschermkappen en de maai-inrichting
altd vr zn van vuilresten en veront-
reinigingen.
9. Wees er tdens het gebruik van de