78
9. Ingebruikname van het model
a) Instellen van het zwaartepunt
Het model moet door een geschikte opstelling, vb. van ontvanger- en/
of vliegaccu (en indien nodig door het toevoegen van lood) zo worden
ingesteld, dat het zwaartepunt zich ca. 85 tot 90 mm achter de neuslijst
van de vleugel bevindt.
Markeer hiertoe aan de wortelribben van de vleugels met een stift de
betrokken positie van het zwaartepunt. Ondersteun vanaf de onderkant
het in elkaar gezette vliegklare model op de meetpunten met de
wijsvingers van uw linker- en rechterhand (of een overeenkomstige
voorziening).
Bij een correct zwaartepunt dient het model een licht naar voren gebo-
gen positie aan te nemen.
Belangrijk!
Meet het zwaartepunt steeds met de cabinekap
aangebracht.
Bepaal voorafgaand aan de eerste vlucht het zwaartepunt
op ca. 90 mm diepte. Het optimale zwaartepunt kan dan
steeds opnieuw vliegend worden verkregen en opnieuw
ingesteld.
b) Roeruitslagen instellen
Bij een correcte bouwuitvoering en zenderinstelling moeten de roeren de volgende uitslagwaarden uitwijzen.
Rolroer 15 mm naar boven 15 mm naar beneden
Hoogteroer 20 mm naar boven 20 mm naar beneden
Richtingsroer 20 mm naar links 20 mm naar rechts
Let op!
De aangegeven waarden geven de onderste en de bovenste grenswaarden van de roeruitslagen weer. Naargelang uw persoonlijke stuurgewoonte
kunt u de uitslagen individueel aanpassen. Als u voor uw model een computergestuurde afstandsbediening gebruikt, dan kunt u de waarden
eenvoudig met de zender instellen. Als u een gewone afstandsbediening gebruikt, moet u de waarden instellen door het verwisselen van de
schuifstangen op de roerhoorns van de servo’s resp. roerkleppen.
Afbeelding 14
85 - 90 mm