Elster-Instromet
© Elster GmbH · Alle rechten voorbehouden · Technische wijzigingen voorbehouden 101
Nederlands
9. Temperatuurmeetpunten
Voor de meting van de gastemperatuur in het meterhuis kunt
u voor de in de volgende tabel genoemde metergrootten max.
twee temperatuuropnemers monteren (bij quantometers wor-
den geen verwarmingsmantels in het meterhuis toegepast, bij
TRZ2 zijn ze tot een nominale diameter van DN 150 optioneel):
Max.
sensor-ø
TRZ2
DN
Materiaal
v.h. huis
PN 10/16
EBL
PN 25/40 Class
150
Class
300
Class
600
6 mm
50
GGG — — — — —
ST — — — — —
80
GGG 45 (2x) — 45 (2x) — —
ST 45 (2x) 45 (1x) 45 (2x) 45 (1x) 45 (1x)
80/100
GGG 58 (2x) — 58 (2x) — —
ST 58 (2x) 58 (1x) 58 (2x) 58 (1x) 58 (1x)
100
GGG 50 (2x) — 50 (2x) — —
ST 50 (2x) 50 (1x) 50 (2x) 50 (1x) 50 (1x)
100/150
GGG 67 (2x) — 67 (2x) — 67 (2x)
ST 67 (2x) 67 (2x) 67 (2x) 67 (2x) 67 (2x)
150
GGG 50 (2x) — 50 (2x) — —
ST 50 (2x) 50 (2x) 50 (2x) 50 (2x) 50 (2x)
GGG=gietijzermetkogelgraet;ST=staal
EBL = afgeronde inbouwlengte van de verwarmingsmantel in mm
Let op dat de temperatuurmeting bij meetinstallaties in de buitenlucht door de invloed van de
omgevingstemperatuur kan worden beïnvloed. Daarom dient u de meetelementen buiten de
buisleiding voldoende tegen invloeden van de omgevingstemperatuur te beschermen. Om een
optimale warmtegeleiding te bereiken, moet u bovendien de verwarmingsmantel(s) in elk geval
met een warmtegeleidende vloeistof of pasta vullen.
Als er geen temperatuurmeetpunten in het huis van de meter aanwezig zijn, dan moet de tem-
peratuurmeting in de leiding achter de turbinegasmeter op een afstand tot 3 x DN, maximaal
echter 600 mm, aangebracht zijn.