EasyManua.ls Logo

Mareno NEPC74G - Aanpassing Aan Een ander Type Gas; Aanwijzingen Voor de Gebruiker; Gebruiksaanwijzing; Inbedrijfstelling

Default Icon
Print Icon
To Next Page IconTo Next Page
To Next Page IconTo Next Page
To Previous Page IconTo Previous Page
To Previous Page IconTo Previous Page
Loading...
7
AANSLUITING OP HET ELEKTRICITEITSNET
Controleer of het apparaat geschikt is om te werken met de
spanning en de frequentie waarmee het zal worden gevoed.
Controleer dit aan de hand van de gegevens van het type-
plaatje van het apparaat.
Als het symbool is gebruikt, betekent dit het volgende:
LET OP GEVAARLIJKE SPANNING.
Installeer vóór het apparaat, op een gemakkelijk toeganke-
lijke plek, een meerpolige scheidingsschakelaar met een
geschikt vermogen die een volledige scheiding van het vo-
edingsnet garandeert, met een afstand tussen de contacten
die een complete loskoppeling mogelijk maakt in de condities
van de overspanningscategorie III, in overeenstemming met
de installatieregels. De maximaal toelaatbare lekstroom is
1mA/kW.
Gebruik voor de aansluiting een rubberen exibele kabel
met oliebestendige kabelmantel van het type H05RN-F of
H07RN-F. Zie voor de doorsnede van de kabel de tabel met
de technische gegevens.
Sluit de voedingskabel aan op het klemmenbord, zoals aange-
geven in het schakelschema dat bij het apparaat geleverd is.
Zet de voedingskabel vast met de kabelklem.
Bescherm de voedingskabel buiten het apparaat met een
buis van metaal of hard plastic.
Als de voedingskabel beschadigd is, moet deze door de fa-
brikant of door een erkend technisch servicecentrum worden
vervangen of in elk geval door een persoon met een verge-
lijkbare kwalicatie, zodat elk risico wordt vermeden.
AARDING EN EQUIPOTENTIAALVERBINDING
Verbind elektrische apparaten met een deugdelijke aardingslei-
ding. Sluit de aardgeleider aan op de klem met het symbool
dat naast het ingangsklemmenbord van de lijn zit.
Verbind de metalen structuur van het elektrische apparaat met
een equipotentiaalverbinding. Sluit de geleider aan op de klem
met het symbool die op de buitenkant van de bodem zit.
Dit symbool duidt erop dat het apparaat moet worden opge-
nomen in een potentiaalvere󰀨eningssysteem dat volgens de
voorschriften van de geldende normen is aangesloten.
AANSLUITING OP DE WATERLEIDING
Voed het apparaat met drinkwater.
Installeer bovenstrooms van het apparaat, op een gemakke-
lijk te bereiken plaats, een mechanisch lter en een afslu-
itkraan.
Tap eventuele ijzerdeeltjes af uit de aansluitleidingen alvo-
rens het lter en het apparaat aan te sluiten.
Maak de niet verbonden aansluitpunten dicht met een goed
sluitende dop.
Controleer na de aansluiting of er geen lekken zijn op de ver-
bindingspunten.
Warmwateraansluiting: de watertemperatuur mag niet hoger
zijn dan 60°C.
De voedingsdruk van het water moet tussen 150 kPa en 300
kPa liggen. Gebruik een drukverlager als de voedingsdruk
hoger is dan de aangegeven maximumdruk.
Het apparaat is bedoeld om permanent op de waterleiding
te worden aangesloten en niet met een scheidbare verbin-
dingsset.
AANSLUITING OP DE WATERAFVOERPUNTEN
De afvoerleidingen moeten worden gerealiseerd met materia-
len die bestand zijn tegen een temperatuur van 100 °C. De
onderkant van het apparaat mag niet worden geraakt door de
damp die veroorzaakt wordt door de afvoer van heet water.
Zorg voor een putje met rooster in de vloer, met sifon, onder de
afvoerkraan van pannen en aan de voorkant van de braadpan-
nen.
12 AANPASSING AAN EEN ANDER TYPE GAS
In de tabel T1 worden, per land van bestemming, weergegeven:
de gastypen die kunnen worden gebruikt om het apparaat te
laten werken.
de inspuiters en de instellingen voor elk gastype dat kan wor-
den gebruikt. Bij de inspuiters is het getal dat wordt vermeld
in de tabel T1 in het lichaam van de inspuiter zelf gestanst.
Om het apparaat aan te passen aan het type gas waarmee het
zal worden gevoed, moeten de aanwijzingen van de tabel T1
worden opgevolgd en moeten de volgende handelingen wor-
den verricht:
De inspuiter van de hoofdbrander (UM) vervangen.
De beluchter van de hoofdbrander op de afstand A plaatsen.
De inspuiter van de waakvlambrander (UP) vervangen.
De lucht van de waakvlambrander regelen (indien nodig).
De minimum-inspuiter van de gaskraan (Um) vervangen.
De sticker van het nieuwe gastype op het apparaat aanbren-
gen. De inspuiters en stickers worden bij het apparaat gele-
verd.
VERVANGING VAN DE INSPUITER VAN DE HOOFDBRAN-
DER EN REGELING VAN DE PRIMAIRE LUCHT.
Demonteer het onderste frontpaneel.
Draai de schroef V los.
Demonteer de inspuiter UM en vervang hem door de inspui-
ter die wordt aangegeven in de tabel T1.
Schroef de inspuiter UM helemaal vast.
Plaats de beluchter Z op de afstand A die wordt aangegeven
in de tabel T1.
Draai de schroef V helemaal vast.
VERVANGING VAN DE INSPUITER VAN DE WAAKVLAM-
BRANDER
Demonteer het onderste frontpaneel.
Draai het verbindingsstuk R los.
Demonteer de inspuiter UP en vervang hem door de inspuiter
die wordt aangegeven in de tabel T1.
Schroef het verbindingsstuk R helemaal vast. Monteer alle
andere onderdelen weer.
Doe dit door de werkzaamheden voor de demontage
omgekeerd uit te voeren.
13 INBEDRIJFSTELLING
Zie het hoofdstuk 'ONDERHOUDSINSTRUCTIES'.
GEBRUIKSAANWIJZING
AANWIJZINGEN VOOR DE GEBRUIKER
De fabrikant van het apparaat kan niet
verantwoordelijk worden geacht voor
eventuele schade die veroorzaakt wordt
door het niet naleven van de hieronder
vermelde verplichtingen.

Table of Contents