EasyManua.ls Logo

moon MC824H - Elektrische Aansluitingen; Gebruikslimieten Van Het Product; Installatie Van de Besturingseenheid; Typische Installatie

moon MC824H
88 pages
Print Icon
To Next Page IconTo Next Page
To Next Page IconTo Next Page
To Previous Page IconTo Previous Page
To Previous Page IconTo Previous Page
Loading...
NL
2 – Nederlands
ELEKTRISCHE AANSLUITINGEN
3
De elektrische aansluiting van de verschillende inrichtingen (fotocellen, digitale
toetsenborden, lezers voor transpondercards etc.) van de automatisering op de
besturingseenheid moet tot stand worden gebracht via het “Bluebus” systeem
van Nice.
3.1 - Beschrijving van de elektrische aansluitingen (afb. 6)
ANTENNE ingang voor de antenne van een radio-ontvanger
FLASH uitgang voor 1 knipperlicht met lampje van 12 V (maximaal 21
W). [*]
ELS uitgang voor elektrisch slot van 12 Vac (maximaal 15 VA). [*]
S.C.A. “Lampje Poort Open”: uitgang voor 1 signaleringslampje van 24
V en maximaal 4 W. [*]
BLUEBUS ingang voor compatibele inrichtingen (MOFB, MOFOB, MOB
en MOTB; parallelle aansluiting van de inrichtingen door mid-
del van 2 draden die zowel voor de stroomtoevoer als voor
de communicatiesignalen dienen, er hoeft geen bepaalde
polariteit te worden aangehouden. De elektrische aansluiting
moet van het parallelle type zijn en het is niet nodig om een
bepaalde polariteit aan te houden. Gedurende de zelfleringfase
zal elke op de besturingseenheid verbonden inrichting dankzij
zijn eenduidige code apart door de besturingseenheid worden
herkend. Iedere keer dat er een inrichting wordt verwijderd of
toegevoegd, moet de deze inrichting eerst door de besturings-
eenheidworden‘herkend’(zelflering,paragraaf3.6).
STOP ingang voor inrichtingen die met hun interventie een onmid-
dellijke onderbreking van de aan de gang zijnde manoeuvre
gevolgd door een korte omkering, veroorzaken; mogelijkheid
tot het aansluiten van contacten van het type NO (normaal
open), NC (normaal gesloten) of van inrichtingen met uitgang
met constante weerstand 8,2 k (contactlijsten). Iedere met
deze ingang verbonden inrichting wordt gedurende de zelfle-
ringfaseapartdoordebesturingseenheid‘herkend’(paragraaf
3.4); in deze fase veroorzaakt hij, als de besturingseenheid een
willekeurige afwijking ten opzichte van de geleerde status detec-
teert, een STOP. Het is mogelijk op deze ingang één of meer,
ook onderling van elkaar verschillende inrichtingen aan te sluiten:
parallelle aansluiting van meerdere NO inrichtingen, zonder
beperkingen van het aantal;
sluit meerdere in serie geschakelde NC inrichtingen aan, zon-
der beperking van aantal
parallelle aansluiting van 2 inrichtingen met uitgang met con-
stante weerstand 8,2 k. Als er meer dan 2 inrichtingen zijn,
dienen deze in cascade te worden aangesloten, met slechts 1
afsluitweerstand van 8,2 k
sluit 2 inrichtingen NO en NC parallel aan, en sluit een weer-
stand van 8,2 k in serie aan met het contact NC (dit maakt ook
de combinatie tussen 3 inrichtingen NO - NC en 8,2 k mogelijk)
P.P. ingang voor bedieningsinrichtingen die bij activering de
manoeuvre in modus Stap-voor-stap aansturen; mogelijkheid
tot aansluiting van contacten van het type NO
OPEN ingang voor bedieningsinrichtingen die bij activering alleen de
openingsmanoeuvre aansturen; mogelijkheid tot aansluiting
van contacten van het type NO
CLOSE ingang voor bedieningsinrichtingen die bij activering alleen de
sluitmanoeuvre aansturen; mogelijkheid tot aansluiting van con-
tacten van het type NO
ENC1 EingangEncoder-Torantrieb1(Klemme1,2),keineeinzuhal-
tende Polarität
ENC2 EingangEncoder-Torantrieb2(Klemme4,5),keineeinzuhal-
tende Polarität
M1 uitgang voor reductiemotor 1 (klem 7, 8, 9)
M2 uitgang voor reductiemotor 2 (klem 10, 11, 12).
[*] De uitgangen FLASH, ELS en S.C.A. kunnen met andere functies gepro-
grammeerd worden (zie “TABEL 5 - Functies 1° niveau; of via Oview pro-
grammeereenheid, zie hoofdstuk 7.2).
•Vergewisuervandatalhettegebruikenmateriaalinoptimalestaatisen
geschikt is voor het voorziene gebruik.
•Controleerofallegebruiksconditiesstrokenmetdegebruikslimietenvan
het product (paragraaf 2.2) en met de waardelimieten die vermeld zijn in de
“Technische gegevens van het product”.
•Controleerofdevoordeinstallatiegekozenruimtecompatibelismetde
totaalafmetingen van het product (zie afb. 1).
•Controleerofhetvoordeinstallatievanhetproductgekozenvlakvanstevig
materiaal is en een stabiele bevestiging kan verzekeren.
•Controleeroferopdeplaatsvanbevestiginggeenkansopwateroverlast
bestaat; monteer het product eventueel hoog genoeg boven de grond.
•Controleerofergenoegruimterondhetproductisomermakkelijkenveilig
bij te kunnen.
•ControleerofallegebruikteelektriciteitskabelsvanhetinTabel 1 vermelde
type zijn.
•Controleerofdemechanischestopsvoorzoweldesluitbewegingalsdeope-
ningsbeweging van de automatisering aanwezig zijn.
2.2 - Gebruikslimieten van het product
Het product mag uitsluitend gebruikt worden met de reductiemotoren die in
Tabel 3 staan aangegeven.
2.3 - Typische installatie
Op afb. 2a wordt een voorbeeld getoond van een automatiseringsinstallatie die
gerealiseerd is met onderdelen van Nice:
a - Besturingseenheid
b - Reductiemotor
c -Knipperlicht
d - Fotocel
e - Digitaal toetsenbord - Transponder-lezer - Sleutelschakelaar
f - Zuil voor fotocel
g - Mechanische stops openingsbeweging
h - Mechanische stop sluitbeweging
i - Elektrisch slot
Deze onderdelen zijn geplaatst volgens een gebruikelijk standaardschema.
Gebruik de afb. 2a om bij benadering de plaats van installatie van elk onder-
deel van het systeem te bepalen. Belangrijk – Prepareer, voordat u het pro-
duct gaat installeren, de elektriciteitskabels die nodig zijn voor de installatie, zie
afb. 2b en “Tabel 1 - Technische gegevens van de elektriciteitskabels”.
Let op – Gedurende het plaatsen van de buizen voor het doorvoeren van de
elektriciteitskabels en de invoer van de kabels in de kast van de besturingseen-
heid, dient u er rekening mee te houden dat als gevolg van water dat zich ver-
zamelt in de putjes, in de verbindingsleidingen condens kan ontstaan die in het
binnenste van de besturingseenheid terecht kan komen en daar schade aan de
elektronische circuits kan veroorzaken
2.4 - Installatie van de besturingseenheid
Ga voor de bevestiging van de besturingseenheid te werk zoals te zien is op afb. 3:
01. Open de kast van de besturingseenheid door de schroeven (afb. 3-A) los
te draaien;
02. Maak de gaten voor het doorvoeren van de elektriciteitskabels (afb. 3-B);
03. Bevestig de kast (afb. 3-C);
04. Op dit punt kunt u de elektrische aansluitingen tot stand brengen, zie
hoofdstuk 3.
Let op! – Voor de installatie van de buizen voor de elektriciteitskabels, dient
u een gat te boren in de onderkant van de kast van de besturingseenheid.
Opmerking – Indien nodig kan de kabelingang aan de zijkant gebruikt worden,
maar alleen als er geschikte verbindingsstukken voor buizen worden gebruikt.
Zie voor de installatie van de overige inrichtingen van de automatisering de
betreffende instructiehandleidingen.
Aansluiting Type kabel Maximaal toegestane lengte
A: KabelvoorSTROOMTOEVOERBESTURINGSEENHEID 1kabel 3 x 1,5 mm
2
30 m (opmerking 1)
B: KabelKNIPPERLICHTmetantenne 1 kabel 2 x 0,5 mm
2
20 m
1 afgeschermde kabel type RG58 20 m (aanbevolen: minder dan 5 m)
C: KabelBLUEBUSINRICHTINGEN 1 kabel 2 x 0,5 mm
2
20 m (opmerking 2)
D: KabelSLEUTELSCHAKELAAR 2 kabels 2 x 0,5 mm
2
(opmerking 3) 50 m
E: KabelvoorSTROOMTOEVOERREDUCTIEMOTOR 1 kabel 3 x 1,5 mm
2
(opmerking 4) 10 m
F: KabelvoorAANSLUITINGENCODER 1 kabel 2 x 1 mm
2
(opmerking 4) 10 m
G:KabelvoorAANSLUITINGELEKTRISCHSLOT 1cavo2x1mm
2
10 m
Opmerking 1 – Als de voedingskabel langer dan 30 m is, dient een kabel met grotere doorsnede te worden gebruikt (3 x 2,5 mm
2
) en is het noodzakelijk in
de nabijheid van de automatisering een veiligheidsaarding aan te brengen.
Opmerking 2 – Als de Bluebus kabel langer dan 20 m is, tot een lengte van maximaal 40 m, dient een kabel met een grotere doorsnede te worden gebruikt
(2 x 1 mm
2
).
Opmerking 3 – Deze 2 kabels kunnen vervangen worden door 1 enkele kabel van 4 x 0,5 mm
2
.
Opmerking 4 – Deze kabels kunnen vervangen worden door 1 enkele kabel van 5 x 1,5 mm
2
.
LET OP! – De gebruikte kabels moeten geschikt zijn voor het type omgeving waar de automatisering geïnstalleerd wordt.
TABEL 1 - Technische gegevens van de elektriciteitskabels (afb. 2b)
NL

Table of Contents