BENL
67
6. Draai de hendel (6) van de snelspan-
ner (8) vast om het werkstuk vast te
zetten.
Zorg bij brede en lange werkstuk-
ken voor een adequate ondersteun-
ing, bijv. met een zaagbok. Anders kunnen
werkstukken die boven de bodemplaat
uitsteken, kantelen en het apparaat of het
werktuig beschadigen.
Werklicht/laser in-/
uitschakelen
1. Druk op de aan-uitknop (13) op stand I
om in te schakelen.
2. Druk op de aan-uitknop (13) op stand 0
om uit te schakelen.
Het apparaat in- en
uitschakelen
Zorg ervoor dat de spanning van
de elektrische aansluiting overeens-
temt met die op het typeplaatje van
het apparaat.
Sluit het apparaat aan op het elekt-
riciteitsnet.
Let op! Klap de beschermkap (5)
naar de boorhouder (17) voordat u
het apparaat inschakelt.
Inschakelen
1. Druk op de aan-knop (3).
Uitschakelen
1. Druk op de uit-knop (2).
Boren
1. Schakel het apparaat in.
2. Draai het hefwiel (14) linksom.
3. De boorhouder (17) gaat omlaag.
4. Boor met gepaste werkslag en de ge-
wenste diepte in het werkstuk.
5. Houd rekening met eventueel noodza-
kelijk spaanbreken bij het bereiken van
de gewenste boordiepte.
6. Breng het werktuig langzaam terug
naar de aanslagpositie.
7. Schakel het apparaat weer uit.
Algemene instructies
De werkslag en het toerental van
de as zijn doorslaggevend voor de
levensduur van het werktuig.
- De snijsnelheid wordt bepaald door
het toerental van de booras en door de
diameter van het werktuig.
- Daarom geldt in principe dat hoe gro-
ter de werktuigdiameter is, des te lager
het toerental moet worden ingesteld.
- Bij hogere vastheid van het werkstuk
moet de snijdruk hoger zijn.
- Door herhaald terugtrekken van het
werktuig zorgt u voor een gemakkelijke-
re spaanafvoer.
- De spaanafvoer wordt vooral bemoei-
lijkt wanneer u diep boort. Verminder
hier de werkslag en het toerental.
- Om een buitensporige slijtage van het
werktuigsnijvlak te vermijden moet u bij
geboorde gaten met een diameter van
meer dan 8,0 mm eerst met een werk-
tuig met geringere diameter vooraf een
gat boren.
- Zorg bij brede en lange werkstukken
voor een adequate ondersteuning,
bijv. met een zaagbok. Anders kunnen
werkstukken die boven de bodemplaat
uitsteken, kantelen en het apparaat of
het werktuig beschadigen.