3 - 11
Bedieningselementen en instrumenten
NL
3
waarmee de wielen draaien. Gebruik
geen niet-goedgekeurde banden
om ABS-storingen en een langere
remweg te voorkomen.
Het ABS kan de bestuurder niet
beschermen tegen gevaren. Het is
belangrijk om op een verantwoorde
manier te rijden. Het is belangrijk om op
de hoogte te zijn van de werking van de
ABS en de limieten.
De bestuurder is verantwoordelijk
voor verantwoord rijdgedrag dat
past bij het type asfalt, de weg en de
verkeersomstandigheden.
Het ABS wordt gemeten door een ECU,
die de gewone remfunctie op het systeem
activeert als er sprake is van een storing.
• Het ABS-lampje kan gaan branden
tijdens extreme rijomstandigheden
of in situaties die leiden tot een
andere rotatiesnelheid van de
voor- en achterwielen. Het is dan
belangrijk om het contact op ‘OFF’
en daarna weer op ‘ON’ te zetten. Na
deze procedure zal het ABS-lampje
uit gaan;
• Als het lampje zelfs blijft branden als
de snelheid van circa 5 km/u wordt
behaald of overschreden, dient
u contact op te nemen met een
erkend Benelli-servicecentrum voor
een controle;
• Als het ABS wordt ingeschakeld, kan
er een puls worden waargenomen
bij de remhendel of het pedaal;
• Het ABS niet actief is als de snelheid
lager is dan of gelijk is aan ca. 5 km/u;
• Het ABS werkt niet bij een lege accu.
Wees voorzichtig en voorkom
beschadiging van de wielsensor of de
rotor; dit kan leiden tot onjuiste prestaties
van het ABS.
1. Sensor in het voorwiel
2. Rotor van het voorwiel
1. Rotor van het achterwiel
2. Sensor in het achterwiel
1
2
1
2
WAARSCHUWING
TIP
LET OP