Hulpsensor - Fabrieksinstelling
Markering Beschrijving Standaardinstellingen Beschikbare codes van hulpsensoren
A1 HulpSensor 1 a - 01 (Tow3) a - 00 ~ 14
A2 HulpSensor 2 a - 03 (Tsolar) a - 00 ~ 14
A3 HulpSensor 3 a - 02 (Tswp) a - 00 ~ 14
A4 HulpSensor 4 a - 05 (Tow2) a - 00 ~ 14
A5 HulpSensor 5 a - 14 (TDHW1) a - 00 ~ 14
A6 HulpSensor 6 a - 07 (Room_amb1) a - 00 ~ 14
A7 HulpSensor 7 a - 08 (Room_amb2) a - 00 ~ 14
Codes van de Hulpsensoren - Beschrijving van alle codes van hulpsensoren
Codes van
hulpsensoren
Markering Beschrijving
a - 00 Geen Functie -
a - 01 Tow3
Deze sensor wordt gebruikt wanneer een unit met hydraulische afscheider wordt gecombineerd om
de detectie van de warm watertemperatuur van de hydraulische afscheider op te nemen.
a - 02 Tswp
Bij een combinatie van de Unit met een zwembad, wordt deze sensor gebruikt om de
watertemperatuur van het zwembad op te nemen.
a - 03 Tsolar
Bij een combinatie van de Unit met een zonnepaneel, wordt deze sensor gebruikt om de warm
watertemperatuur van de zonnepanelen op te nemen.
a - 04 Ta_ao
Een tweede optionele buitentemperatuursensor kan op de hulpsensor worden aangesloten als de
warmtepomp zich op een plek bevindt die niet geschikt is voor deze meting.
a - 05 Tow2
Wanneer watercyclus 2 beschikbaar is, moet een hulpsensor worden ingesteld als functie van
"Tow2" om de temperatuur van het afvoerwater van watercyclus 2 op te nemen.
a - 06 duty
Wordt gebruikt om het duty-signaal op te nemen wanneer duty-signaalbediening is ingeschakeld.
Het duty-signaaltype kan 0-10 V, 0-5 V of 10-20 mA zijn.
a - 07 Room_amb1
De kamerfunctie op de hoofdbediening is geselecteerd als kamerthermostaat, en in dit scenario
kan de hulpsensor worden ingesteld als functie "Room_amb1-7", en worden geselecteerd als de
kamertemperatuurdetectie van een bepaalde.
a - 08 Room_amb2
a - 09 Room_amb3
a - 10 Room_amb4
a - 11 Room_amb5
a - 12 Room_amb6
a - 13 Room_amb7
a - 14 TDHW1
De sensor van TDHW1 is een hulpsensor om de temperatuur van het water van de ketel aan de
onderkant te meten.
! GEVAAR
• Het aansluiten of aanpassen van bedrading of andere verbindingen
mag alleen uitgevoerd worden als de hoofdschakelaar UIT staat.
• Wanneer er meer dan één voeding is, controleer dat alle voedingen
UIT staan alvorens de binnenunit te hanteren.
• Zorg ervoor dat de bedrading niet in aanraking komt met de
koudemiddelleidingen, waterleidingen, plaatranden en elektrische
onderdelen in de unit om schade te voorkomen, die tot elektrische
schokken of kortsluiting zou kunnen leiden.
! LET OP
• Nadat u de instellingen van ingang, uitgang en hulpsensor op de
hoofdbediening hebt gewijzigd, moet u deze uit- en weer inschakelen
om deze te bevestigen.
• Gebruik een exclusief voedingscircuit voor de binnenunit. Gebruik nooit
een circuit dat wordt gedeeld met een buitenunit of een ander apparaat.
• Controleer dat alle bedrading en beveiligingsapparatuur juist gekozen,
verbonden, geïdenticeerd, en aangesloten zijn op de bijbehorende
aansluitklemmen van de unit, in het bijzonder de beveiliging (aarde) en
de voedingskabels, daarbij rekening houdend met de van toepassing
zijnde nationale en lokale reglementen. Zorg voor een goede aarding.
Een verkeerde aarding kan leiden tot elektrische schok.
• Zorg ervoor dat er geen kleine dieren (zoals ratten) in de binnenunit
kunnen komen, aangezien die de aftapleiding en inwendige
bedrading of elektrische onderdelen kunnen beschadigen, hetgeen
tot elektrische schokken of kortsluiting kan leiden.
• Bewaar voldoende afstand tussen de aansluitklemmen klemmen en
gebruik isolatietape of een isolatiemof zoals weergegeven in de guur.
Tape of mof
ELEKTRISCHE- EN BEDIENINGSINSTELLINGEN
33