225
7000056136-0
NL
3 - Voor u op pad gaat
3.1 - Voertuigdocumenten
■ Controleer of u beschikt over alle nodige papieren en of deze niet verlopen
zijn.
– Kentekenbewijs van het voertuig.
– Geldig verzekeringsbewijs voor het voertuig ("groene kaart").
– Geldige verzekeringssticker achter de voorruit. Deze moet zich in het
voertuig bevinden en rechtsonder op de voorruit zijn bevestigd.
– Schadeformulier.
3.2 - Apparatuur
■ Controleer de aanwezigheid en de staat van de volgende apparatuur:
– Brandblusser.
– Waarschuwingsdriehoek.
– Veiligheidsvest.
3.3 - Verlichting
■ Controleer de werking van de verlichting van het voertuig.
– Koplampen.
– Remlichten.
– Knipperlichten.
– Remlichten.
– Achteruitrijlichten.
– Lichtlicht.
■ Stel uw koplampen af op de belading van uw voertuig (raadpleeg de
documenten en de aanbevelingen van de voertuigfabrikant).
3.4 - Zichtbaarheid
■ Controleer of er goed zicht is door alle ramen van de auto.
■ Controleer het peil van de voorruitvloeistof in het vloeistofreservoir
van de voorruit (raadpleeg de documenten en de aanbevelingen van de
autofabrikant).
■ Controleer de werking van de ruitenwissers.
3.5 - Banden
Overbelasting van het voertuig en onjuiste bandenspanning kunnen tot een
klapband leiden.
■ Controleer of de spanning in de banden overeenkomt met de aanbevelingen
van de autofabrikant.
3.6 - Hefdak
■ Controleer of het hefdak goed gesloten en vergrendeld is (zie pagina 241).
3.7 - Verschuifbare slaapbank
■ Controleer of de schuifbank goed vergrendeld is (zie pagina 237).