NL
4. Hanteer of bedien een motorploeg niet als u vermoeid, ziek of van streek bent, of wanneer u
alcohol, drugs, of medicatie heeft gebruikt. U dient in goede lichamelijke conditie te zijn en
mentaal alert. Werken met een motorploeg is inspannend. Als u aan een aandoening lijdt
die verergerd kan worden door inspannend werk, vraag dan advies aan een arts, voordat u
met de motorploeg gaat werken. Wees extra voorzichtig vlak voor rustperiodes en als het
werk bijna klaar is.
5. Houd kinderen, omstanders en dieren op een afstand van minimaal 15 meter van het
werkgebied. Laat andere mensen of dieren niet in de buurt van de motorploeg komen als u
hem start of terwijl u er mee werkt.
6. Draag daarom bij het werken met de motorploeg altijd goedgekeurde beschermende
veiligheidskleding. Draag geen kleding, sjaals, dassen of sieraden die in het struikgewas
kunnen vastraken. Lang haar mag niet los gedragen worden en moet worden beschermd
(bijvoorbeeld met een hoofddoek, een muts, een helm, enz.). Draag veiligheidsschoenen
met antislipzolen en stalen neuzen. Draag een veiligheidsbril of een gezichtsscherm.
Draag beschermingsmiddelen tegen lawaai, bijvoorbeeld gehoorbeschermers of
oordoppen. Draag handschoenen met maximale trilingsabsorptie.
7. Laat anderen deze motorploeg alleen gebruiken als ze deze bedieningshandleiding hebben
gelezen of als ze passende instructies hebben gekregen over het correcte en veilige gebruik
van deze motorploeg.
8. Controleer de machine dagelijks om er zeker van te zijn dat elk onderdeel, voor de
veiligheid of anderszins, goed werkt.
9. Gebruik nooit een beschadigde, gewijzigde, of onjuist gerepareerde of geassembleerde
motorploeg. Verwijder of beschadig geen enkele veiligheidsvoorziening en stel deze nooit
buiten werking. Vervang snijwerktuigen of veiligheidsvoorzieningen onmiddellijk als deze
beschadigd, kapot of verwijderd zijn.
10. Plan uw handelingen van te voren zorgvuldig. Begin niet met werken als het werkgebied
niet vrij is en als er geen stevige steunpunten voor uw voeten zijn.
11. Gebruik de machine alleen op goed geventileerde plaatsen, gebruik de machine niet in
explosieve of ontvlambare ruimtes of in gesloten ruimtes.
12. Alle werkzaamheden aan de motorploeg die niet in deze handleiding beschreven zijn,
moeten uitgevoerd worden door competent personeel.
13. De motorploeg is een product dat uitsluitend bestemd is om aardkluiten te verbrijzelen en
de grond los te werken (accessoire frezen) of om het gras te maaien (accessoire maaibalk).
Het is niet aan te raden om andere soorten materiaal te snoeien. Alle andere vormen van
gebruik dan vermeld in deze handleiding, kunnen de machine beschadigen en ernstig
gevaar opleveren voor mensen en voorwerpen.
14. Laat het apparaat niet achter met draaiende motor.
15. Het is niet toegestaan gereedschappen of instrumenten die niet door de fabrikant zijn
gespecificeerd aan de machine te koppelen.
16. Gebruik de machine niet zonder de beschermkap van de draaiende onderdelen.
17. Zorg ervoor dat alle etiketten met de gevaar- en veiligheidssymbolen in een goede staat
blijven. Vervang ze tijdig in geval van beschadiging of slijtage (Zie hoofdstuk 3 VERKLARING
VAN DE SYMBOLEN EN VEILIGHEIDSWAARSCHUWINGEN (Fig. 1)).
18. Gebruik de machine niet voor andere gebruiksdoelen dan in deze handleiding zijn
beschreven (zie hoofdstuk 12 Gebruik).
233