NL
LET OP
Wanneer de machine in contact komt met elektrische draden of kabels kan ernstig
of dodelijk letsel door elektrische stroom het gevolg zijn. Deze unit is niet
geïsoleerd. Let altijd op het traject dat ondergrondse leidingen en kabels afleggen
om gevaar op schade of letsel te voorkomen.
8.2 SMEREN VAN DE QUICKFIT
Op te voorkomen dat de accessoires vastlopen, moet de Quickfit dagelijks worden gesmeerd
(zie hfst. 13 ONDERHOUD)
8.3 CONTROLE VAN DE VEILIGHEID EN DE EFFICIËNTIE VAN DE MACHINE
• Controleer of de veiligheidssystemen werken zoals is beschreven (zie hoofdstuk 7
VEILIGHEIDSSYSTEMEN).
• Controleer of de remmen van de machine goed werken.
• Controleer of de duwboom in de correcte werkstand staat en goed bevestigd is. Een niet
goed bevestigde duwboom kan het verlies van controle van de machine veroorzaken.
8.3.1 Accessoire maaibalk
• Controleer de tanden van het mes.
• Controleer de bussen van de drager op slijtage (zie hoofdstuk 14 OPTIONEEL TOEBEHOREN).
• Om te vermijden dat de maaibalk vastloopt, moet u voor elk gebruik de drager (Fig. 59) en
de centrale aandrijvingspen (Fig. 60) smeren.
8.3.2 Accessoire frees
• Controleer de messen op slijtage en of ze goed aangehaald zijn.
8.4 DUWBOOM
Om de correcte werkpositie voor de bediener te vinden, kan de duwboom in drie horizontale
standen worden versteld via de hendel voor de horizontale afstelling van de duwboom (I,
Fig. 17), en in 7 hoogtestanden via de hendel voor de verticale afstelling van de duwboom (P,
Fig. 17).
8.5 CONTROLE VAN DE LUCHTBANDEN
• Controleer of de bandenspanning correct is (zie hoofdstuk 13 ONDERHOUD)
• Controleer of de wielen correct gemonteerd zijn: de pijl die bepaald wordt door het
loopvlakprofiel van de banden moet in de werkrichting zijn. Zo niet, keer de wielen dan
om (zie hoofdstuk 6.1 ASSEMBLAGE VAN DE MOTORPLOEG MET MAAIBALK, 6.2 ASSEMBLAGE
VAN DE MOTORPLOEG MET FREES).
242