NL
17 SCHAKELSCHEMA DIESELMOTOR (FIG. 56)
PO Stopcontact H2
Acculampje
F2
Zekering stroomaansluiting 16 A
K1M
Startrelais
St.mot. Startmotor F1
Zekering voeding machine 30 A
MCI
Interne verbrandingsmotor
S1 Motorsensor
Q0
Contactsleutel
G
Wisselstroomdynamo
H1
Olielampje
R
Regelaar
Legenda kleur/kabel
N Zwart G
Geel
R
Rood
L
Blauw
V Groen M Bruin
B Wit S Roze
18 TRANSPORT
LET OP
Schakel de aftakas bij een verplaatsing van de machine van het ene werkgebied
naar het andere altijd uit. Let vooral op harde voorwerpen of bouwwerken (stoepen,
trapjes, enz.) die tegen de werktuigen kunnen stoten en ze kunnen beschadigen.
Monteer de mesbeschermer wanneer de machine is toegerust met een maaibalk. De
snelheid van de machine moet altijd aan de toestand van de omgeving worden
aangepast.
LET OP
De machine MAG NIET worden opgetild met riemen, kettingen of haken. De
machine heeft geen sleepogen.
• De machine mag niet op de openbare weg rijden.
• Sleep de machine niet. Om de machine te vervoeren moet een voertuig met aangepast
vermogen en afmetingen worden gebruikt, dat daarvoor afdoende is uitgerust.
• Alvorens de machine in een voertuig te vervoeren, moet u nagaan of deze correct en stevig
met riemen is vastgemaakt aan het voertuig.
• De machine moet horizontaal worden vervoerd; u moet tevens nagaan of de geldende
normen voor het vervoer van dergelijke machines worden nageleefd.
• Om de machine in het voertuig te laden, kiest u steeds een vlakke zone, ver van het verkeer
en zonder potentieel gevaarlijke voorwerpen.
• Vergewis u ervan dat het voertuig niet kan bewegen.
• Gebruik steeds gecertificeerde oprijplaten, die 4 keer zo lang zijn als de hoogte van de
bodem van het voertuig, met een aangepaste breedte, een antislip-oppervlak, sterk genoeg
om het gewicht van de machine te dragen en stevig vastgemaakt.
264